BWBR0007141
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 12
Regeling VFR-nachtvluchten en minimum vlieghoogten voor militaire luchtvaartuigen
De in artikel 6bedoelde vrijstelling geldt voor gezagvoerders van militaire luchtvaartuigen behorend tot de Nederlandse strijdkrachten en aan door de Staatssecretaris van Defensie aan te wijzen luchtvaartuigen behorend tot bondgenootschappelijke strijdkrachten voor de in artikel 1bedoelde VFR-nachtvluchten indien de volgende minimum vlieghoogte in acht wordt genomen:
a. Boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, danwel mensenverzamelingen: ten minste 300 meter (1000 voet), voor hefschroefvliegtuigen 210 meter (700 voet), boven de hoogste hindernissen binnen een afstand van 600 meter van het luchtvaartuig,
b. Elders dan onder a aangegeven:
1º. Voor vastvleugelige luchtvaartuigen: a. ten minste 300 meter (1000 voet) boven grond of water;
b. ten minste 150 meter (500 voet) boven grond of water voor vluchten bedoeld in artikel 2, tweede lid;
c. ten minste 100 meter (300 voet) boven water of zoveel lager als door het doel van de vlucht is vereist.
a. ten minste 300 meter (1000 voet) boven grond of water;
b. ten minste 150 meter (500 voet) boven grond of water voor vluchten bedoeld in artikel 2, tweede lid;
c. ten minste 100 meter (300 voet) boven water of zoveel lager als door het doel van de vlucht is vereist.
2º. Voor hefschroefvliegtuigen: a. ten minste 30 meter (100 voet) boven grond of water of zoveel lager als door het doel van de vlucht wordt vereist, voor vluchten als bedoeld in artikel 2, vijfde lid;
b. ten minste 75 meter (250 voet) boven hindernissen op de routes van en naar de in artikel 2, vijfde lid genoemde oefengebieden;
c. ten minste 100 meter (300 voet) boven grond of water of zoveel lager als door het doel van de vlucht wordt vereist.
a. ten minste 30 meter (100 voet) boven grond of water of zoveel lager als door het doel van de vlucht wordt vereist, voor vluchten als bedoeld in artikel 2, vijfde lid;
b. ten minste 75 meter (250 voet) boven hindernissen op de routes van en naar de in artikel 2, vijfde lid genoemde oefengebieden;
c. ten minste 100 meter (300 voet) boven grond of water of zoveel lager als door het doel van de vlucht wordt vereist.
a. Boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, danwel mensenverzamelingen: ten minste 300 meter (1000 voet), voor hefschroefvliegtuigen 210 meter (700 voet), boven de hoogste hindernissen binnen een afstand van 600 meter van het luchtvaartuig,
b. Elders dan onder a aangegeven:
1º. Voor vastvleugelige luchtvaartuigen: a. ten minste 300 meter (1000 voet) boven grond of water;
b. ten minste 150 meter (500 voet) boven grond of water voor vluchten bedoeld in artikel 2, tweede lid;
c. ten minste 100 meter (300 voet) boven water of zoveel lager als door het doel van de vlucht is vereist.
a. ten minste 300 meter (1000 voet) boven grond of water;
b. ten minste 150 meter (500 voet) boven grond of water voor vluchten bedoeld in artikel 2, tweede lid;
c. ten minste 100 meter (300 voet) boven water of zoveel lager als door het doel van de vlucht is vereist.
2º. Voor hefschroefvliegtuigen: a. ten minste 30 meter (100 voet) boven grond of water of zoveel lager als door het doel van de vlucht wordt vereist, voor vluchten als bedoeld in artikel 2, vijfde lid;
b. ten minste 75 meter (250 voet) boven hindernissen op de routes van en naar de in artikel 2, vijfde lid genoemde oefengebieden;
c. ten minste 100 meter (300 voet) boven grond of water of zoveel lager als door het doel van de vlucht wordt vereist.
a. ten minste 30 meter (100 voet) boven grond of water of zoveel lager als door het doel van de vlucht wordt vereist, voor vluchten als bedoeld in artikel 2, vijfde lid;
b. ten minste 75 meter (250 voet) boven hindernissen op de routes van en naar de in artikel 2, vijfde lid genoemde oefengebieden;
c. ten minste 100 meter (300 voet) boven grond of water of zoveel lager als door het doel van de vlucht wordt vereist.