BWBR0006425
Geldig vanaf 1994-04-05
Artikel 23
Besluit locatiegebonden subsidies
1. Onze Minister bevestigt binnen vier weken de ontvangst van het tussenrapport, bedoeld in artikel 22, eerste lid.
2. Indien het tussenrapport niet tijdig of naar het oordeel van Onze Minister onvolledig is uitgebracht, geeft hij daarvan kennis aan het budgethoudende bestuursorgaan in de ontvangstbevestiging, bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister stelt bij de in het tweede lid bedoelde kennisgeving een termijn van ten hoogste acht weken binnen welke het tussenrapport alsnog moet worden uitgebracht of aangevuld.
4. Door een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid wordt de uitbetaling van het budget opgeschort.
5. De opschorting wordt opgeheven op het tijdstip waarop naar het oordeel van Onze Minister blijkt dat het budgethoudende bestuursorgaan het tussenrapport alsnog heeft uitgebracht of aangevuld, tenzij Onze Minister van oordeel is dat toepassing zou moeten worden gegeven aan artikel 24, eerste lid, in welk geval op de opheffing van de opschorting het tweede lid van dat artikel van toepassing is. De door de opschorting niet uitbetaalde jaarbedragen worden terstond na de opheffing van de opschorting uitbetaald, of zo spoedig als daarvoor kasmiddelen beschikbaar zijn, doch uiterlijk zes maanden na die opheffing.
6. Indien het budgethoudende bestuursorgaan een jaar na het verloop van de termijn, genoemd in artikel 22, eerste lid, het tussenrapport niet heeft uitgebracht of aangevuld, kan Onze Minister het besluit tot toekenning van het budget intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen.
2. Indien het tussenrapport niet tijdig of naar het oordeel van Onze Minister onvolledig is uitgebracht, geeft hij daarvan kennis aan het budgethoudende bestuursorgaan in de ontvangstbevestiging, bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister stelt bij de in het tweede lid bedoelde kennisgeving een termijn van ten hoogste acht weken binnen welke het tussenrapport alsnog moet worden uitgebracht of aangevuld.
4. Door een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid wordt de uitbetaling van het budget opgeschort.
5. De opschorting wordt opgeheven op het tijdstip waarop naar het oordeel van Onze Minister blijkt dat het budgethoudende bestuursorgaan het tussenrapport alsnog heeft uitgebracht of aangevuld, tenzij Onze Minister van oordeel is dat toepassing zou moeten worden gegeven aan artikel 24, eerste lid, in welk geval op de opheffing van de opschorting het tweede lid van dat artikel van toepassing is. De door de opschorting niet uitbetaalde jaarbedragen worden terstond na de opheffing van de opschorting uitbetaald, of zo spoedig als daarvoor kasmiddelen beschikbaar zijn, doch uiterlijk zes maanden na die opheffing.
6. Indien het budgethoudende bestuursorgaan een jaar na het verloop van de termijn, genoemd in artikel 22, eerste lid, het tussenrapport niet heeft uitgebracht of aangevuld, kan Onze Minister het besluit tot toekenning van het budget intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen.