BWBR0006425
Geldig vanaf 1994-04-05
Artikel 13b
Besluit locatiegebonden subsidies
1. Onze Minister kan gedurende de contractperiode een budget verhogen, indien een wijziging van het rijksbeleid inzake de volkshuisvesting of de ruimtelijke ordening, die strekt tot een intensivering van de taakstelling voor de woningbouw, dit naar zijn oordeel noodzakelijk maakt.
2. Een budget kan slechts worden verhoogd, indien de ontvanger:
a. aan Onze Minister op de wijze, bedoeld in het derde lid, gegevens verstrekt ten behoeve van de berekening van een zodanige verhoging, welke gegevens beperkt blijven tot die woningen en bouwlocaties, welke niet bij de berekening van het budget voor die ontvanger betrokken zijn, en
b. ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt dat met de voornemens tot ontwikkeling van bouwlocaties die blijken uit de in onderdeel a bedoelde gegevens, wordt voldaan aan het vierde lid.
3. Ten behoeve van de berekening van de verhoging van het budget verstrekt de ontvanger aan Onze Minister met gebruikmaking van een door hem vast te stellen formulier:
a. het aantal door de ontvanger geprojecteerde woningen dat aan de woningvoorraad wordt toegevoegd op grond van het uitvoeringscontract of het ontwikkelingscontract, waarbij het aantal binnen de bebouwde kom en het aantal buiten de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen afzonderlijk wordt aangegeven;
b. de uit een oogpunt van ruimtelijke ordening door de ontvanger beoogde ontwikkeling van bouwlocaties, voorzover deze buiten de bebouwde kom gelegen zijn;
c. de financiële gegevens met betrekking tot de te ontwikkelen bouwlocaties, voorzover deze buiten de bebouwde kom gelegen zijn, en
d. de gegevens inzake de door de ontvanger beoogde mate van dichtheid van de woningbouw op de te ontwikkelen bouwlocaties, voorzover deze buiten de bebouwde kom gelegen zijn.
4. Onze Minister berekent geen verhoogd budget voor een ander regionaal openbaar lichaam dan een regionaal openbaar lichaam waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht deel uitmaakt, indien het algemeen bestuur niet ten genoegen van Onze Minister aannemelijk heeft gemaakt dat met de beoogde ontwikkeling van bouwlocaties:
a. de behoeften van de inwoners van dat openbaar lichaam op het gebied van wonen, werken en verzorging overwegend binnen dat openbaar lichaam zullen worden vervuld;
b. zo veel mogelijk voorrang wordt gegeven aan het bouwen van nieuwe woningen in of zo dicht mogelijk bij bestaand stedelijk gebied;
c. wordt gestreefd naar verscheidenheid in het aanbod van woningen naar in elk geval prijs en grootte en
d. een bijdrage wordt geleverd aan het behoud van open ruimten tussen het bebouwde grondgebied van dat openbaar lichaam en dat van de aangrenzende gemeenten.
2. Een budget kan slechts worden verhoogd, indien de ontvanger:
a. aan Onze Minister op de wijze, bedoeld in het derde lid, gegevens verstrekt ten behoeve van de berekening van een zodanige verhoging, welke gegevens beperkt blijven tot die woningen en bouwlocaties, welke niet bij de berekening van het budget voor die ontvanger betrokken zijn, en
b. ten genoegen van Onze Minister aannemelijk maakt dat met de voornemens tot ontwikkeling van bouwlocaties die blijken uit de in onderdeel a bedoelde gegevens, wordt voldaan aan het vierde lid.
3. Ten behoeve van de berekening van de verhoging van het budget verstrekt de ontvanger aan Onze Minister met gebruikmaking van een door hem vast te stellen formulier:
a. het aantal door de ontvanger geprojecteerde woningen dat aan de woningvoorraad wordt toegevoegd op grond van het uitvoeringscontract of het ontwikkelingscontract, waarbij het aantal binnen de bebouwde kom en het aantal buiten de bebouwde kom aan de woningvoorraad toe te voegen woningen afzonderlijk wordt aangegeven;
b. de uit een oogpunt van ruimtelijke ordening door de ontvanger beoogde ontwikkeling van bouwlocaties, voorzover deze buiten de bebouwde kom gelegen zijn;
c. de financiële gegevens met betrekking tot de te ontwikkelen bouwlocaties, voorzover deze buiten de bebouwde kom gelegen zijn, en
d. de gegevens inzake de door de ontvanger beoogde mate van dichtheid van de woningbouw op de te ontwikkelen bouwlocaties, voorzover deze buiten de bebouwde kom gelegen zijn.
4. Onze Minister berekent geen verhoogd budget voor een ander regionaal openbaar lichaam dan een regionaal openbaar lichaam waarvan de gemeente Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage of Utrecht deel uitmaakt, indien het algemeen bestuur niet ten genoegen van Onze Minister aannemelijk heeft gemaakt dat met de beoogde ontwikkeling van bouwlocaties:
a. de behoeften van de inwoners van dat openbaar lichaam op het gebied van wonen, werken en verzorging overwegend binnen dat openbaar lichaam zullen worden vervuld;
b. zo veel mogelijk voorrang wordt gegeven aan het bouwen van nieuwe woningen in of zo dicht mogelijk bij bestaand stedelijk gebied;
c. wordt gestreefd naar verscheidenheid in het aanbod van woningen naar in elk geval prijs en grootte en
d. een bijdrage wordt geleverd aan het behoud van open ruimten tussen het bebouwde grondgebied van dat openbaar lichaam en dat van de aangrenzende gemeenten.