BWBR0006338
Geldig vanaf 2006-06-30
Artikel 4.5
Bekostigingsbesluit WHW
1. Indien uit de jaarverslagen die betrekking hebben op de jaren van het tijdvak, bedoeld in artikel 4.2, derde lid, blijkt dat minder bewijsstukken en getuigschriften zijn afgegeven of minder activiteiten zijn verricht dan door Onze minister op grond van artikel 4.3in aanmerking zijn genomen, besluit Onze minister tot vermindering van de beoogde ontwikkeling van het prestatiegebonden deel voor het eerstvolgende tijdvak waarvoor de beoogde ontwikkeling van de rijksbijdrage wordt vastgesteld, tot ten hoogste de omvang van het prestatiegebonden deel.
2. Indien op 1 juli van het derde jaar van het tijdvak waarop de vaststelling, bedoeld in 4.2, tweede lid, betrekking heeft, uit het jaarverslag blijkt dat minder dan 80% van de vastgestelde bewijsstukken, getuigschriften en activiteiten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid onderdeel a, zijn gerealiseerd, dan wel indien dan uit het jaarverslag blijkt dat de kwaliteit van de activiteiten ten behoeve van de vernieuwing van het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid onderdeel b, onvoldoende is geweest, wordt het prestatiegebonden deel van de rijksbijdrage voor het resterende deel van het tijdvak waarop de vaststelling, bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, betrekking heeft, verminderd.
3. De vermindering van de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt plaats naar rato van het aantal bewijsstukken en getuigschriften dat minder is afgegeven of het aantal activiteiten dat minder is verricht ten behoeve van de vernieuwing van het hoger onderwijs, dan door Onze minister op grond van artikel 4.2, tweede lid, was vastgesteld, met dien verstande dat de vermindering niet meer bedraagt dan de omvang van het prestatiegebonden deel van de rijksbijdrage. Ingeval uit het jaarverslag blijkt dat de kwaliteit van de activiteiten onvoldoende is geweest, wordt de rijksbijdrage in overeenstemming daarmede verminderd.
4. Onze minister kan van de vorige leden afwijken, indien het feit dat de vastgestelde beoogde ontwikkeling van de factoren van het prestatiegebonden deel niet of niet geheel is gerealiseerd, de Open Universiteit niet kan worden tegengeworpen.
2. Indien op 1 juli van het derde jaar van het tijdvak waarop de vaststelling, bedoeld in 4.2, tweede lid, betrekking heeft, uit het jaarverslag blijkt dat minder dan 80% van de vastgestelde bewijsstukken, getuigschriften en activiteiten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid onderdeel a, zijn gerealiseerd, dan wel indien dan uit het jaarverslag blijkt dat de kwaliteit van de activiteiten ten behoeve van de vernieuwing van het hoger onderwijs, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid onderdeel b, onvoldoende is geweest, wordt het prestatiegebonden deel van de rijksbijdrage voor het resterende deel van het tijdvak waarop de vaststelling, bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, betrekking heeft, verminderd.
3. De vermindering van de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste en tweede lid, vindt plaats naar rato van het aantal bewijsstukken en getuigschriften dat minder is afgegeven of het aantal activiteiten dat minder is verricht ten behoeve van de vernieuwing van het hoger onderwijs, dan door Onze minister op grond van artikel 4.2, tweede lid, was vastgesteld, met dien verstande dat de vermindering niet meer bedraagt dan de omvang van het prestatiegebonden deel van de rijksbijdrage. Ingeval uit het jaarverslag blijkt dat de kwaliteit van de activiteiten onvoldoende is geweest, wordt de rijksbijdrage in overeenstemming daarmede verminderd.
4. Onze minister kan van de vorige leden afwijken, indien het feit dat de vastgestelde beoogde ontwikkeling van de factoren van het prestatiegebonden deel niet of niet geheel is gerealiseerd, de Open Universiteit niet kan worden tegengeworpen.