BWBR0006338
Geldig vanaf 2006-06-30
Artikel 2.6a
Bekostigingsbesluit WHW
1. De landelijke component getuigschriften, voor een begrotingsjaar vastgesteld op grond van artikel 2.4, wordt over de universiteiten verdeeld op basis van het aantal door een universiteit uitgereikte getuigschriften in het studiejaar dat eindigt in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar, met inachtneming van het tweede tot en met zevende lid.
2. Ten behoeve van de verdeling van de landelijke component getuigschriften over de universiteiten wordt het aantal getuigschriften per universiteit onderscheiden naar:
a. getuigschriften van bacheloropleidingen met een laag bekostigingsniveau,
b. getuigschriften van bacheloropleidingen met een hoog bekostigingsniveau,
c. getuigschriften van de bacheloropleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde,
d. getuigschriften van masteropleidingen met een laag bekostigingsniveau,
e. getuigschriften van masteropleidingen met een hoog bekostigingsniveau,
f. getuigschriften van de masteropleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde,
g. getuigschriften van ongedeelde opleidingen met een laag bekostigingsniveau,
h. getuigschriften van ongedeelde opleidingen met een hoog bekostigingsniveau, en
i. getuigschriften van de ongedeelde opleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het kandidaatsgetuigschrift aangemerkt als het getuigschrift van een bacheloropleiding.
3. Op het aantal getuigschriften, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, onderdelen a, b en c, blijven buiten beschouwing:
a. het aantal getuigschriften van een bacheloropleiding die zijn uitgereikt aan degenen aan wie reeds een getuigschrift is uitgereikt van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs of van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, en
b. het aantal kandidaatsgetuigschriften van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die zijn uitgereikt aan degenen aan wie reeds een getuigschrift is uitgereikt van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs of van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs.
Getuigschriften die zijn uitgereikt vóór 1 september van het achtste kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar blijven voor de toepassing van dit lid buiten beschouwing.
4. Voor de toepassing van dit artikel, tweede lid, eerste volzin, onderdelen g, h en i, worden de getuigschriften van een ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die zijn uitgereikt aan degenen aan wie reeds een getuigschrift is uitgereikt van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs of van het met goed gevolg afgelegd kandidaatsexamen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, aangemerkt als getuigschriften van een masteropleiding. Getuigschriften die zijn uitgereikt vóór 1 september van het achtste kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar blijven voor de toepassing van dit lid buiten beschouwing.
5. Het aantal te bekostigen getuigschriften per universiteit bedraagt de som van de in het tweede, derde en vierde lid berekende aantallen, nadat deze zijn vermenigvuldigd met onderscheidenlijk 2/3, 1, 6/5, 1/3, 1/2, 9/5, 1, 3/2 en 3.
6. Artikel 2.6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
7. De landelijke component getuigschriften wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van het in het vijfde lid berekende aantal getuigschriften.
2. Ten behoeve van de verdeling van de landelijke component getuigschriften over de universiteiten wordt het aantal getuigschriften per universiteit onderscheiden naar:
a. getuigschriften van bacheloropleidingen met een laag bekostigingsniveau,
b. getuigschriften van bacheloropleidingen met een hoog bekostigingsniveau,
c. getuigschriften van de bacheloropleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde,
d. getuigschriften van masteropleidingen met een laag bekostigingsniveau,
e. getuigschriften van masteropleidingen met een hoog bekostigingsniveau,
f. getuigschriften van de masteropleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde,
g. getuigschriften van ongedeelde opleidingen met een laag bekostigingsniveau,
h. getuigschriften van ongedeelde opleidingen met een hoog bekostigingsniveau, en
i. getuigschriften van de ongedeelde opleidingen diergeneeskunde, farmacie, geneeskunde en tandheelkunde.
Voor de toepassing van dit artikel wordt het kandidaatsgetuigschrift aangemerkt als het getuigschrift van een bacheloropleiding.
3. Op het aantal getuigschriften, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, onderdelen a, b en c, blijven buiten beschouwing:
a. het aantal getuigschriften van een bacheloropleiding die zijn uitgereikt aan degenen aan wie reeds een getuigschrift is uitgereikt van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs of van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs, en
b. het aantal kandidaatsgetuigschriften van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die zijn uitgereikt aan degenen aan wie reeds een getuigschrift is uitgereikt van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs of van een opleiding in het hoger beroepsonderwijs.
Getuigschriften die zijn uitgereikt vóór 1 september van het achtste kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar blijven voor de toepassing van dit lid buiten beschouwing.
4. Voor de toepassing van dit artikel, tweede lid, eerste volzin, onderdelen g, h en i, worden de getuigschriften van een ongedeelde opleiding in het wetenschappelijk onderwijs die zijn uitgereikt aan degenen aan wie reeds een getuigschrift is uitgereikt van het met goed gevolg afgelegd afsluitend examen van een bacheloropleiding in het hoger onderwijs of van het met goed gevolg afgelegd kandidaatsexamen van een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs, aangemerkt als getuigschriften van een masteropleiding. Getuigschriften die zijn uitgereikt vóór 1 september van het achtste kalenderjaar voorafgaand aan het begrotingsjaar blijven voor de toepassing van dit lid buiten beschouwing.
5. Het aantal te bekostigen getuigschriften per universiteit bedraagt de som van de in het tweede, derde en vierde lid berekende aantallen, nadat deze zijn vermenigvuldigd met onderscheidenlijk 2/3, 1, 6/5, 1/3, 1/2, 9/5, 1, 3/2 en 3.
6. Artikel 2.6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
7. De landelijke component getuigschriften wordt over de universiteiten verdeeld naar rato van het in het vijfde lid berekende aantal getuigschriften.