BWBR0005700
Geldig vanaf 1992-12-31
Artikel 29
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
1. Met betrekking tot de behandeling van de zaak door de rechter is artikel 8, eerste, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
2. De rechter doet zich zo mogelijk voorlichten door personen uit de naaste omgeving van de betrokkene, door de arts die de geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 21, heeft opgemaakt en door de instelling of psychiater die de betrokkene begeleidt. Artikel 8, zesde lid, eerste volzin, zevende, achtste, negende en tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De rechter beslist binnen drie dagen te rekenen vanaf de dag na die van het indienen van het verzoekschrift door de officier van justitie. De <a href="/wet/BWBR0002448" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene termijnenwet</a>is op de termijn, bedoeld in de eerste volzin, van toepassing.
4. Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien de betrokkene op het tijdstip waarop het verzoekschrift tot voortzetting van de inbewaringstelling werd ingediend, nog niet in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen, zijn de artikelen 11en 12, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling staat geen gewoon rechtsmiddel open.
6. Indien een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling betrekking heeft op een minderjarige die onder toezicht is gesteld, geldt die machtiging als machtiging als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/265b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>.
2. De rechter doet zich zo mogelijk voorlichten door personen uit de naaste omgeving van de betrokkene, door de arts die de geneeskundige verklaring, bedoeld in artikel 21, heeft opgemaakt en door de instelling of psychiater die de betrokkene begeleidt. Artikel 8, zesde lid, eerste volzin, zevende, achtste, negende en tiende lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De rechter beslist binnen drie dagen te rekenen vanaf de dag na die van het indienen van het verzoekschrift door de officier van justitie. De <a href="/wet/BWBR0002448" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemene termijnenwet</a>is op de termijn, bedoeld in de eerste volzin, van toepassing.
4. Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien de betrokkene op het tijdstip waarop het verzoekschrift tot voortzetting van de inbewaringstelling werd ingediend, nog niet in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen, zijn de artikelen 11en 12, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Tegen de beschikking op een verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling staat geen gewoon rechtsmiddel open.
6. Indien een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling betrekking heeft op een minderjarige die onder toezicht is gesteld, geldt die machtiging als machtiging als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/265b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>.