BWBR0005700
Geldig vanaf 1992-12-31
Artikel 2
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
1. De rechter kan op verzoek van de officier van justitie een voorlopige machtiging verlenen om iemand die gestoord is in zijn geestvermogens, in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven. Indien de betrokkene reeds vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, strekt de machtiging er toe het verblijf te doen voortduren.
2. Een machtiging als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter
a. de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken, en
b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
3. Voor opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis is een machtiging als bedoeld in het eerste lid vereist, indien ter zake daarvan
a. de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid en twaalf jaar of ouder is,
b. de ouders die gezamenlijk of de ouder die alleen het gezag over de betrokkene uitoefenen, de voogd, de curator dan wel de mentor, van oordeel zijn dat opneming en verblijf niet moeten plaatsvinden, of
c. de ouders die gezamenlijk het gezag over de betrokkene uitoefenen, van mening verschillen.
4. In het geval, bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid, is de machtiging vereist indien de daartoe met overeenkomstige toepassing van het derde lid bevoegde persoon of personen ervan blijk geven het vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis te willen beëindigen, tenzij die persoon of personen te kennen geven de behandeling in een ander door deze persoon of personen aangewezen psychiatrisch ziekenhuis te willen doen voortzetten en dat ziekenhuis bereid is de betrokkene op te nemen.
5. Met betrekking tot het in het derde lid, onder <em>a</em>, bedoelde blijk geven van de nodige bereidheid is <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/453" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 453 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>niet van toepassing.
6. Indien een voorlopige machtiging betrekking heeft op een minderjarige die onder toezicht is gesteld, geldt die machtiging als machtiging als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/265b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>.
2. Een machtiging als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de rechter
a. de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken, en
b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
3. Voor opneming en verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis is een machtiging als bedoeld in het eerste lid vereist, indien ter zake daarvan
a. de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid en twaalf jaar of ouder is,
b. de ouders die gezamenlijk of de ouder die alleen het gezag over de betrokkene uitoefenen, de voogd, de curator dan wel de mentor, van oordeel zijn dat opneming en verblijf niet moeten plaatsvinden, of
c. de ouders die gezamenlijk het gezag over de betrokkene uitoefenen, van mening verschillen.
4. In het geval, bedoeld in de tweede volzin van het eerste lid, is de machtiging vereist indien de daartoe met overeenkomstige toepassing van het derde lid bevoegde persoon of personen ervan blijk geven het vrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis te willen beëindigen, tenzij die persoon of personen te kennen geven de behandeling in een ander door deze persoon of personen aangewezen psychiatrisch ziekenhuis te willen doen voortzetten en dat ziekenhuis bereid is de betrokkene op te nemen.
5. Met betrekking tot het in het derde lid, onder <em>a</em>, bedoelde blijk geven van de nodige bereidheid is <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/453" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 453 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>niet van toepassing.
6. Indien een voorlopige machtiging betrekking heeft op een minderjarige die onder toezicht is gesteld, geldt die machtiging als machtiging als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/265b" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>.