BWBR0005682
Geldig vanaf 2019-02-01
Artikel 5.13
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
1. Onverminderd artikel 1.18, draagt het instellingsbestuur er zorg voor dat de kwaliteit van de opleiding ter verkrijging van accreditatie bestaande opleiding wordt gevisiteerd, in samenwerking met andere instellingen binnen de visitatiegroep. Daarbij bevordert het instellingsbestuur een brede inbreng van studenten.
2. De visitatie wordt uitgevoerd door de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c.
3. De visitatie vindt plaats op basis van een zelfevaluatie van de opleiding door het instellingsbestuur die in beginsel een door studenten aan de opleiding geschreven bijdrage bevat.
4. Van de visitatie wordt door de commissie van deskundigen een rapport opgesteld. Het visitatierapport bevat:
a. een oordeel over de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12;
b. een samenvatting van de beoordeling, alsmede een eindoordeel;
c. een bijlage waarin de aanbevelingen voor verdere ontwikkeling van de opleiding zijn opgenomen.
5. Het visitatierapport wordt door het instellingsbestuur binnen een week nadat het dit rapport van de commissie van deskundigen heeft ontvangen, verstrekt aan de universiteitsraad, bedoeld in artikel 9.31, dan wel de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37, of de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 10.17, of aan de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit of de hogeschool, dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, artikel 10.16a, derde lid, respectievelijk artikel 11.13is ingesteld, en aan de opleidingscommissie, bedoeld in artikel 9.18, artikel 10.3crespectievelijk artikel 11.11.
6. De bijlage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, wordt binnen een jaar nadat het accreditatieorgaan het accreditatierapport heeft vastgesteld door het instellingsbestuur openbaar gemaakt.
2. De visitatie wordt uitgevoerd door de commissie van deskundigen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel c.
3. De visitatie vindt plaats op basis van een zelfevaluatie van de opleiding door het instellingsbestuur die in beginsel een door studenten aan de opleiding geschreven bijdrage bevat.
4. Van de visitatie wordt door de commissie van deskundigen een rapport opgesteld. Het visitatierapport bevat:
a. een oordeel over de kwaliteitsaspecten, genoemd in artikel 5.12;
b. een samenvatting van de beoordeling, alsmede een eindoordeel;
c. een bijlage waarin de aanbevelingen voor verdere ontwikkeling van de opleiding zijn opgenomen.
5. Het visitatierapport wordt door het instellingsbestuur binnen een week nadat het dit rapport van de commissie van deskundigen heeft ontvangen, verstrekt aan de universiteitsraad, bedoeld in artikel 9.31, dan wel de faculteitsraad, bedoeld in artikel 9.37, of de medezeggenschapsraad, bedoeld in artikel 10.17, of aan de ondernemingsraad en het orgaan binnen de universiteit of de hogeschool, dat op grond van de medezeggenschapsregeling, bedoeld in artikel 9.30, derde lid, artikel 10.16a, derde lid, respectievelijk artikel 11.13is ingesteld, en aan de opleidingscommissie, bedoeld in artikel 9.18, artikel 10.3crespectievelijk artikel 11.11.
6. De bijlage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, wordt binnen een jaar nadat het accreditatieorgaan het accreditatierapport heeft vastgesteld door het instellingsbestuur openbaar gemaakt.