BWBR0005682
Geldig vanaf 2019-02-01
Artikel 1.20
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
1. Indien het instellingsbestuur op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een seksueel misdrijf als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001854" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht</a>jegens een minderjarige student van de instelling, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0013800/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht</a>.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, doet het instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/127" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 127</a>juncto <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/141" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</a>, en stelt het instellingsbestuur de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3. Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, stelt het personeelslid het instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis.
2. Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, doet het instellingsbestuur onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/127" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 127</a>juncto <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/141" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</a>, en stelt het instellingsbestuur de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het instellingsbestuur overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken student, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de instelling met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.
3. Indien een personeelslid bekend is geworden dat een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een minderjarige student van de instelling, stelt het personeelslid het instellingsbestuur daarvan onverwijld in kennis.