BWBR0005682
Geldig vanaf 2019-02-01
Artikel 2.18
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
1. Jaarlijks verstrekt Onze Minister een subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan de rechtspersoon die de educatieve voorziening, bedoeld in artikel 1.4, tweede lid, in stand houdt, ter tegemoetkoming in de kosten van ondersteuning bij het onderwijs aan zieke leerlingen als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0003420/artikel/9a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 9a van de Wet op het primair onderwijs</a>, <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/18a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">18a van de Wet op de expertisecentra</a>, <a href="/wet/BWBR0044212/artikel/2.46" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">2.46 van de Wet voortgezet onderwijs 2020</a>en <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/7.1.4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">7.1.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs</a>.
2. De hoogte van de subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, wordt bepaald op basis van het leerlingenaantal dat het gemiddelde is van de hoogste dagtellingen in de maanden september tot en met april van het schooljaar 1994–1995 van leerlingen van scholen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, tweede lid onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra</a>, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, die waren opgenomen in het desbetreffende academisch ziekenhuis, en een bedrag per leerling.
3. Het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die een educatieve voorziening in stand houdt, ontvangt de subsidie, bedoeld in het tweede lid, onder de voorwaarde dat op de aan deze subsidie gerelateerde formatieplaatsen personeel wordt benoemd, dat op 31 juli 1999 was benoemd aan een of meer van de scholen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra</a>, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, tenzij het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt aantoont dat met betrekking tot een formatieplaats geen lid van dat personeel beschikbaar was dat de formatieplaats aanvaardde. Deze benoemingsverplichting geldt voor de betrekkingsomvang die voor de desbetreffende personeelsleden gold aan die scholen.
2. De hoogte van de subsidie aan het academisch ziekenhuis dan wel aan het bestuur van de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt, wordt bepaald op basis van het leerlingenaantal dat het gemiddelde is van de hoogste dagtellingen in de maanden september tot en met april van het schooljaar 1994–1995 van leerlingen van scholen als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, tweede lid onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra</a>, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, die waren opgenomen in het desbetreffende academisch ziekenhuis, en een bedrag per leerling.
3. Het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die een educatieve voorziening in stand houdt, ontvangt de subsidie, bedoeld in het tweede lid, onder de voorwaarde dat op de aan deze subsidie gerelateerde formatieplaatsen personeel wordt benoemd, dat op 31 juli 1999 was benoemd aan een of meer van de scholen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op de expertisecentra</a>, zoals dat artikel luidde op 31 juli 1999, tenzij het bestuur van het academisch ziekenhuis dan wel de rechtspersoon die de educatieve voorziening in stand houdt aantoont dat met betrekking tot een formatieplaats geen lid van dat personeel beschikbaar was dat de formatieplaats aanvaardde. Deze benoemingsverplichting geldt voor de betrekkingsomvang die voor de desbetreffende personeelsleden gold aan die scholen.