BWBR0005682
Geldig vanaf 2019-02-01
Artikel 6.10
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
1. Onze Minister kan besluiten dat aan een opleiding of aan alle opleidingen, verzorgd door een rechtspersoon voor hoger onderwijs, de rechten, genoemd in artikel 1.12, eerste lid, worden ontnomen, indien de continuïteit van de desbetreffende rechtspersoon of de naleving van de artikelen 1.3, vijfde lid, 1.12, tweede lid, of 1.12, derde lid, niet of niet langer is gewaarborgd of aan de leveringsverplichting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0042012/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 12, eerste en vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers</a>, niet of niet meer wordt voldaan.
2. Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen geen graad als bedoeld in artikel 7.10ais verbonden, dat de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd en dat de instelling niet meer het recht heeft zich universiteit te noemen, als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, dan wel hogeschool als bedoeld in artikel 1.23, eerste lid.
3. Artikel 6.5, tweede en derde lid, en artikel 6.6zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Voordat Onze Minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.
5. Indien Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle opleidingen verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden als bedoeld in artikel 7.10averlenen na toepassing van artikel 6.9.
2. Een besluit op grond van het eerste lid houdt in dat aan de examens van de desbetreffende opleiding of van alle opleidingen geen graad als bedoeld in artikel 7.10ais verbonden, dat de registratie in de Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.13, wordt beëindigd en dat de instelling niet meer het recht heeft zich universiteit te noemen, als bedoeld in artikel 1.22, eerste lid, dan wel hogeschool als bedoeld in artikel 1.23, eerste lid.
3. Artikel 6.5, tweede en derde lid, en artikel 6.6zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Voordat Onze Minister een besluit op grond van het eerste lid neemt, geeft hij het instellingsbestuur een waarschuwing onder bepaling van een termijn waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven en desgewenst overleg met hem dienaangaande plaats kan vinden. De termijn waarbinnen aan de waarschuwing gevolg moet zijn gegeven, bedraagt ten minste drie maanden.
5. Indien Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid heeft genomen ten aanzien van alle opleidingen verzorgd door de desbetreffende rechtspersoon, kan deze rechtspersoon slechts opnieuw graden als bedoeld in artikel 7.10averlenen na toepassing van artikel 6.9.