BWBR0005279
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 7
Uniform Aanbestedingsreglement EG 1991
1. Van deelneming aan een aanbesteding kan worden uitgesloten een ieder:
a. die in staat van faillissement of van liquidatie verkeert, die zijn werkzaamheden heeft gestaakt, of die het voorwerp is van een surséance van betaling of een akkoord dan wel in een andere soortgelijke toestand verkeert ingevolge een gelijkaardige procedure waarin de nationale wettelijke regeling voorziet;
b. wiens faillissement is aangevraagd of tegen wie een procedure van surséance van betaling of akkoord dan wel een andere soortgelijke procedure, die in de nationale wettelijke regeling is voorzien, aanhangig is gemaakt;
c. die bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is geweest voor een delict dat de professionele integriteit van de aannemer in het gedrang brengt;
d. die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbesteder aannemelijk kan maken;
e. die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van de sociale verzekeringsbijdragen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is of die van het land van de aanbesteder;
f. die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van zijn belastingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is of van het land van de aanbesteder;
g. die zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de inlichtingen die overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 15 kunnen worden verlangd.
2. Indien de aanbesteder van een inschrijver of gegadigde het bewijs verlangt dat hij niet in een van de in het eerste lid onder a, b, c, e en f genoemde omstandigheden verkeert, aanvaardt hij als voldoende bewijs:
oor a, b en c een uittreksel uit het strafregister of, bij ontbreken daarvan, een gelijkwaardig document, afgegeven door een gerechtelijke of bevoegde overheidsinstantie van het land van oorsprong of van herkomst en waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan;
voor e en f een door een bevoegde instantie van de betrokken lid-staat afgegeven getuigschrift.
3. Indien geen document of getuigschrift als bedoeld in het tweede lid, door het desbetreffende land wordt afgegeven, kan het worden vervangen door een verklaring onder ede of - in de lid-staten waar niet in een eed is voorzien - door een plechtige verklaring die door de betrokkene is afgelegd ten overstaan van een gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.
a. die in staat van faillissement of van liquidatie verkeert, die zijn werkzaamheden heeft gestaakt, of die het voorwerp is van een surséance van betaling of een akkoord dan wel in een andere soortgelijke toestand verkeert ingevolge een gelijkaardige procedure waarin de nationale wettelijke regeling voorziet;
b. wiens faillissement is aangevraagd of tegen wie een procedure van surséance van betaling of akkoord dan wel een andere soortgelijke procedure, die in de nationale wettelijke regeling is voorzien, aanhangig is gemaakt;
c. die bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is geweest voor een delict dat de professionele integriteit van de aannemer in het gedrang brengt;
d. die in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbesteder aannemelijk kan maken;
e. die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van de sociale verzekeringsbijdragen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is of die van het land van de aanbesteder;
f. die niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan ten aanzien van de betaling van zijn belastingen overeenkomstig de wettelijke bepalingen van het land waar hij gevestigd is of van het land van de aanbesteder;
g. die zich in ernstige mate schuldig heeft gemaakt aan valse verklaringen bij het verstrekken van de inlichtingen die overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 15 kunnen worden verlangd.
2. Indien de aanbesteder van een inschrijver of gegadigde het bewijs verlangt dat hij niet in een van de in het eerste lid onder a, b, c, e en f genoemde omstandigheden verkeert, aanvaardt hij als voldoende bewijs:
oor a, b en c een uittreksel uit het strafregister of, bij ontbreken daarvan, een gelijkwaardig document, afgegeven door een gerechtelijke of bevoegde overheidsinstantie van het land van oorsprong of van herkomst en waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan;
voor e en f een door een bevoegde instantie van de betrokken lid-staat afgegeven getuigschrift.
3. Indien geen document of getuigschrift als bedoeld in het tweede lid, door het desbetreffende land wordt afgegeven, kan het worden vervangen door een verklaring onder ede of - in de lid-staten waar niet in een eed is voorzien - door een plechtige verklaring die door de betrokkene is afgelegd ten overstaan van een gerechtelijke of overheidsinstantie, een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.