BWBR0005239
Geldig vanaf 1991-10-19
Artikel 7
Beschikking ter zake van het tijdelijk uit produktie nemen van bouwland
1. Het uit produktie genomen bouwland dient in de periode van 1 juli 1992 tot het moment van onderwerken als bedoeld in het derde lid met een groenbemester te zijn bebouwd.
2. Het is verboden de groenbemester of het uit produktie genomen bouwland voor veevoeder of commerciële doeleinden te gebruiken.
3. De groenbemester dient in de periode van 17 augustus tot en met 31 augustus 1992 te worden ondergewerkt.
4. Op het uit produktie genomen bouwland dient zodanig te worden gemaaid dat onkruidwoekering wordt voorkomen. Het gemaaide materiaal mag, onverminderd het gestelde in het derde lid, tot en met 31 augustus 1992 niet worden verwijderd.
5. Het is verboden om op het uit produktie genomen bouwland:
a. organische afvalstoffen te gebruiken;
b. dierlijke meststoffen te gebruiken, tenzij de directeur LNO hiervoor ontheffing verleent. De directeur LNO kan op een gemotiveerd verzoek van de aanvrager ontheffing verlenen indien het gebruik nodig is om de bodemvruchtbaarheid in stand te houden of bodemerosie tegen te gaan;
c. fytofarmaceutische produkten, inclusief herbiciden, te gebruiken, uitgezonderd de door de minister toegelaten middelen.
2. Het is verboden de groenbemester of het uit produktie genomen bouwland voor veevoeder of commerciële doeleinden te gebruiken.
3. De groenbemester dient in de periode van 17 augustus tot en met 31 augustus 1992 te worden ondergewerkt.
4. Op het uit produktie genomen bouwland dient zodanig te worden gemaaid dat onkruidwoekering wordt voorkomen. Het gemaaide materiaal mag, onverminderd het gestelde in het derde lid, tot en met 31 augustus 1992 niet worden verwijderd.
5. Het is verboden om op het uit produktie genomen bouwland:
a. organische afvalstoffen te gebruiken;
b. dierlijke meststoffen te gebruiken, tenzij de directeur LNO hiervoor ontheffing verleent. De directeur LNO kan op een gemotiveerd verzoek van de aanvrager ontheffing verlenen indien het gebruik nodig is om de bodemvruchtbaarheid in stand te houden of bodemerosie tegen te gaan;
c. fytofarmaceutische produkten, inclusief herbiciden, te gebruiken, uitgezonderd de door de minister toegelaten middelen.