BWBR0005239
Geldig vanaf 1991-10-19
Artikel 15
Beschikking ter zake van het tijdelijk uit produktie nemen van bouwland
1. Tegen een besluit genomen op grond van deze beschikking kan de natuurlijke of rechtspersoon, die door dit besluit rechtstreeks in zijn belang is getroffen, een bezwaarschrift indienen bij de minister.
2. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt 30 dagen. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is verzonden of uitgereikt.
3. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkheid op die grond achterwege indien de betrokkene aantoont dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
4. Het bezwaar schorst niet de werking van het besluit waartegen het gericht is.
5. Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en ten minste te bevatten:
a. naam en adres van de indiener;
b. dagtekening van het bezwaarschrift;
c. een omschrijving, met vermelding van kenmerk en datum, van het besluit waartegen het bezwaar zich richt, zo mogelijk door medezending van een kopie van het besluit;
d. de gronden voor het bezwaar, tenzij van de indiener in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij reeds bij het indienen van het bezwaarschrift een schriftelijke motivering geeft, in welk geval hij deze binnen een door of vanwege de minister vast te stellen termijn dient te verstrekken.
6. Indien niet voldaan is aan het bepaalde in het vijfde lid kan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad binnen een door de minister gestelde termijn het verzuim te herstellen.
2. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt 30 dagen. Deze termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is verzonden of uitgereikt.
3. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkheid op die grond achterwege indien de betrokkene aantoont dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
4. Het bezwaar schorst niet de werking van het besluit waartegen het gericht is.
5. Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en ten minste te bevatten:
a. naam en adres van de indiener;
b. dagtekening van het bezwaarschrift;
c. een omschrijving, met vermelding van kenmerk en datum, van het besluit waartegen het bezwaar zich richt, zo mogelijk door medezending van een kopie van het besluit;
d. de gronden voor het bezwaar, tenzij van de indiener in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij reeds bij het indienen van het bezwaarschrift een schriftelijke motivering geeft, in welk geval hij deze binnen een door of vanwege de minister vast te stellen termijn dient te verstrekken.
6. Indien niet voldaan is aan het bepaalde in het vijfde lid kan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad binnen een door de minister gestelde termijn het verzuim te herstellen.