BWBR0005239
Geldig vanaf 1991-10-19
Artikel 10
Beschikking ter zake van het tijdelijk uit produktie nemen van bouwland
1. De aanvraag bevat de volgende gegevens:
a. de naam, voornamen en het adres van de aanvrager;
b. de totale oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf, uitgedrukt in hectaren en aren, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen de percelen die de aanvrager in eigendom heeft, heeft gepacht dan wel waarop hij een zakelijk recht heeft;
c. de voor de verschillende teelten gebruikte oppervlakte, uitgedrukt in hectaren en aren;
d. de oppervlakte van elk braakgelegd perceel, uitgedrukt in hectaren en aren en het gekozen vegetatietype.
2. De in het eerste lid, in de onderdelen b, c en d, genoemde oppervlakte moeten op het aanvraagformulier met kadastrale gegevens worden omschreven dan wel door middel van een bij het aanvraagformulier te voegen en naar het oordeel van de DBH éénduidige situatieschets of omschrijving worden aangeduid.
3. De aanvrager moet op het aanvraagformulier verklaren dat de op het formulier vermelde percelen alle percelen cultuurgrond van zijn bedrijf omvat.
4. De aanvraag dient vergezeld te gaan van:
a. bewijsstukken waaruit naar het oordeel van de DBH blijkt dat de aanvrager, voor zover van toepassing, voldoet aan het in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, bepaalde;
b. een verklaring van de verpachter dan wel de eigenaar van het bedrijf dat deze instemt met het uit produktie nemen van het gepachte bouwland dan wel met het uit produktie nemen van bouwland waarop een zakelijk recht is gevestigd, in het in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, bedoelde geval;
c. bewijsstukken waaruit naar het oordeel van het DBH blijkt welke percelen de aanvrager in eigendom heeft, heeft gepacht dan wel waarop hij een zakelijk recht heeft;
d. bewijsstukken waaruit naar het oordeel van de DBH de oppervlakte en de gegevens ter identificatie van de percelen cultuurgrond van het landbouwbedrijf van de aanvrager blijken;
e. het bouwplan van het landbouwbedrijf van de aanvrager dat de gegevens moet bevatten omtrent het gebruik, de bestemming en, in voorkomend geval, de vruchtwisseling.
5. De aanvraag wordt niet in behandeling genomen indien de in het eerste, tweede en vierde lid, genoemde gegevens en bescheiden niet zijn verstrekt.
a. de naam, voornamen en het adres van de aanvrager;
b. de totale oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf, uitgedrukt in hectaren en aren, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen de percelen die de aanvrager in eigendom heeft, heeft gepacht dan wel waarop hij een zakelijk recht heeft;
c. de voor de verschillende teelten gebruikte oppervlakte, uitgedrukt in hectaren en aren;
d. de oppervlakte van elk braakgelegd perceel, uitgedrukt in hectaren en aren en het gekozen vegetatietype.
2. De in het eerste lid, in de onderdelen b, c en d, genoemde oppervlakte moeten op het aanvraagformulier met kadastrale gegevens worden omschreven dan wel door middel van een bij het aanvraagformulier te voegen en naar het oordeel van de DBH éénduidige situatieschets of omschrijving worden aangeduid.
3. De aanvrager moet op het aanvraagformulier verklaren dat de op het formulier vermelde percelen alle percelen cultuurgrond van zijn bedrijf omvat.
4. De aanvraag dient vergezeld te gaan van:
a. bewijsstukken waaruit naar het oordeel van de DBH blijkt dat de aanvrager, voor zover van toepassing, voldoet aan het in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, bepaalde;
b. een verklaring van de verpachter dan wel de eigenaar van het bedrijf dat deze instemt met het uit produktie nemen van het gepachte bouwland dan wel met het uit produktie nemen van bouwland waarop een zakelijk recht is gevestigd, in het in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, bedoelde geval;
c. bewijsstukken waaruit naar het oordeel van het DBH blijkt welke percelen de aanvrager in eigendom heeft, heeft gepacht dan wel waarop hij een zakelijk recht heeft;
d. bewijsstukken waaruit naar het oordeel van de DBH de oppervlakte en de gegevens ter identificatie van de percelen cultuurgrond van het landbouwbedrijf van de aanvrager blijken;
e. het bouwplan van het landbouwbedrijf van de aanvrager dat de gegevens moet bevatten omtrent het gebruik, de bestemming en, in voorkomend geval, de vruchtwisseling.
5. De aanvraag wordt niet in behandeling genomen indien de in het eerste, tweede en vierde lid, genoemde gegevens en bescheiden niet zijn verstrekt.