BWBR0005238
Geldig vanaf 2001-07-01
Artikel 8
Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen
1. Anders dan op eigen aanvraag kan aan de voorzitter ontslag worden verleend op grond van:
a. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan uit hoofde van ziekte;
c. opheffing van het waterschap;
d. andere gronden.
2. Het ontslag op grond van het eerste lid, onder a, b en c van dit artikelwordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het eerste lid, onder d, van dit artikelwordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.
3. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de voorzitter binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de voorzitter geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.
4. Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onder c, wordt gedurende het eerste jaar dat de voorzitter ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte passende, en gedurende de periode daarna gangbare arbeid verstaan.
5. Voor het bepalen van het in het derde lid, onder a, bedoelde tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
6. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen aen b, vraagt het dagelijks bestuur van het waterschap het oordeel van een arts, aangewezen door de uitvoeringsinstelling die de WAO uitvoert ten aanzien van de voorzitters. Deze arts betrekt bij zijn beoordeling een door het dagelijks bestuur van het waterschap aangewezen arts en, indien de voorzitter dit wenst, een door de voorzitter aangewezen arts.
7. Het dagelijks bestuur stelt de voorzitter er schriftelijk van in kennis dat de procedure, bedoeld in het zesde lid, wordt ingesteld. Daarbij wordt de voorzitter gewezen op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure.
8. De kennisgeving, bedoeld in het zevende lid, geschiedt niet eerder dan nadat de voorzitter gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het vijfde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
9. De in het zesde lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de voorzitter.
a. ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte;
b. onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan uit hoofde van ziekte;
c. opheffing van het waterschap;
d. andere gronden.
2. Het ontslag op grond van het eerste lid, onder a, b en c van dit artikelwordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het eerste lid, onder d, van dit artikelwordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.
3. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan slechts plaatsvinden indien:
a. er sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte gedurende een ononderbroken periode van twee jaar,
b. herstel van zijn ziekte niet binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar te verwachten is, en
c. na een zorgvuldig onderzoek het niet mogelijk is gebleken om de voorzitter binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere arbeid aan te bieden, dan wel indien de voorzitter geweigerd heeft deze arbeid te aanvaarden.
4. Onder arbeid als bedoeld in het derde lid, onder c, wordt gedurende het eerste jaar dat de voorzitter ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte passende, en gedurende de periode daarna gangbare arbeid verstaan.
5. Voor het bepalen van het in het derde lid, onder a, bedoelde tijdvak van twee jaar worden tijdvakken van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
6. Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid, onderdelen aen b, vraagt het dagelijks bestuur van het waterschap het oordeel van een arts, aangewezen door de uitvoeringsinstelling die de WAO uitvoert ten aanzien van de voorzitters. Deze arts betrekt bij zijn beoordeling een door het dagelijks bestuur van het waterschap aangewezen arts en, indien de voorzitter dit wenst, een door de voorzitter aangewezen arts.
7. Het dagelijks bestuur stelt de voorzitter er schriftelijk van in kennis dat de procedure, bedoeld in het zesde lid, wordt ingesteld. Daarbij wordt de voorzitter gewezen op de mogelijkheid om een arts van zijn keuze te laten deelnemen aan de procedure.
8. De kennisgeving, bedoeld in het zevende lid, geschiedt niet eerder dan nadat de voorzitter gedurende een onafgebroken periode van 18 maanden ongeschikt is geweest tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Het vijfde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.
9. De in het zesde lid bedoelde arts stelt naar aanleiding van zijn bevindingen een rapport op. Hij zendt dit rapport aan het dagelijks bestuur van het waterschap. Tevens zendt hij een afschrift van dit rapport aan de voorzitter.