BWBR0005238
Geldig vanaf 2001-07-01
Artikel 11
Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen
1. De voorzitter die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte geniet vanaf de dag waarop deze ongeschiktheid aanvangt, gedurende een termijn van 18 maanden zijn volledige bezoldiging en daarna tot zijn ontslag 80% van zijn bezoldiging. Hij geniet ook na afloop van de in de eerste volzin genoemde termijn van 18 maanden zijn volledige bezoldiging indien de ziekte, uit hoofde waarvan hij ongeschikt is zijn arbeid te verrichten, in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de aan het ambt van voorzitter verbonden werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.
2. Voor het vaststellen van het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde termijn van 18 maanden verstreken is, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3. Indien de voorzitter, bedoeld in het eerste lid, ter zake van het ambt waaruit het recht op doorbetaling van bezoldiging voortvloeit, recht heeft op een WAO-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij ingevolge het eerste lid recht heeft.
4. Indien de in het derde lid bedoelde voorzitter uit hoofde van twee of meer ambten recht heeft op één WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde lid toegerekend aan het ambt ter zake waarvan zijn bezoldiging wordt doorbetaald naar rato van de bezoldiging uit hoofde van de desbetreffende ambten.
5. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de in het derde lid bedoelde voorzitter geen WAO-uitkering kan worden toegekend, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een WAO-uitkering zoals die zou zijn toegekend bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
6. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de in het derde lid bedoelde voorzitter de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.
2. Voor het vaststellen van het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde termijn van 18 maanden verstreken is, worden perioden van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3. Indien de voorzitter, bedoeld in het eerste lid, ter zake van het ambt waaruit het recht op doorbetaling van bezoldiging voortvloeit, recht heeft op een WAO-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij ingevolge het eerste lid recht heeft.
4. Indien de in het derde lid bedoelde voorzitter uit hoofde van twee of meer ambten recht heeft op één WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde lid toegerekend aan het ambt ter zake waarvan zijn bezoldiging wordt doorbetaald naar rato van de bezoldiging uit hoofde van de desbetreffende ambten.
5. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de in het derde lid bedoelde voorzitter geen WAO-uitkering kan worden toegekend, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een WAO-uitkering zoals die zou zijn toegekend bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
6. Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door de in het derde lid bedoelde voorzitter de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.