BWBR0005238
Geldig vanaf 2001-07-01
Artikel 26b
Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen
1. De voorzitter heeft ten laste van het waterschap recht op een uitkering bij eervol ontslag of niet-herbenoeming op eigen aanvraag als ook bij een eervol ontslag op grond van artikel 8, eerste lid, onderdeel d, indien naar het oordeel van Onze Minister de reden van de aanvraag tot ontslag of niet-herbenoeming dan wel de reden van het ontslag is gelegen in een verstoorde verhouding tussen de voorzitter en het algemeen bestuur.
2. Onze Minister wint ter voorbereiding van zijn oordeel advies in van gedeputeerde staten en hij stelt vervolgens de voorzitter in kennis van zijn voornemen omtrent het oordeel.
3. De uitkering ingevolge het eerste lid is gelijk aan het totaalbedrag van de uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidsweten het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid sector Rijk. Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswetis van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de verplichting, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van die wet.
4. Indien de voorzitter ter zake van het ontslag of de niet-herbenoeming, bedoeld in het eerste lid, recht heeft op een uitkering op de grond van de Werkloosheidswetwordt de in het eerste lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
5. Het eerste tot en met het vierde lid is niet van toepassing op voorzitters die geen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABPzijn.
2. Onze Minister wint ter voorbereiding van zijn oordeel advies in van gedeputeerde staten en hij stelt vervolgens de voorzitter in kennis van zijn voornemen omtrent het oordeel.
3. De uitkering ingevolge het eerste lid is gelijk aan het totaalbedrag van de uitkeringen berekend op basis van de Werkloosheidsweten het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid sector Rijk. Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswetis van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de verplichting, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, van die wet.
4. Indien de voorzitter ter zake van het ontslag of de niet-herbenoeming, bedoeld in het eerste lid, recht heeft op een uitkering op de grond van de Werkloosheidswetwordt de in het eerste lid bedoelde uitkering met die uitkering verminderd.
5. Het eerste tot en met het vierde lid is niet van toepassing op voorzitters die geen overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABPzijn.