BWBR0004996
Geldig vanaf 2002-10-25
Artikel 13
Besluit politieregisters
1. Uit een politieregister kunnen gegevens worden verstrekt aan politie-autoriteiten in een ander land indien dit noodzakelijk is:
a. voor de goede uitvoering van de politietaak in Nederland of voor de uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van personen door Nederlandse autoriteiten;
b. ter voorkoming van een ernstig en dreigend gevaar of ter opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde in dat land ernstig is geschokt of
c. voor de goede uitvoering van de politietaak in dat land, op grond van een verzoek met betrekking tot een bepaalde persoon of een bepaald geval.
2. In de grensgebieden kunnen gegevens als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, ook zonder een daartoe strekkend verzoek worden verstrekt.
3. Uit een politieregister bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties kunnen gegevens worden verstrekt aan van overheidswege aangewezen administratieve of politiële meldpunten in het buitenland die een vergelijkbare taak hebben als het meldpunt. Het zevende lid vindt geen toepassing.
4. Bij de beoordeling van de vraag of gegevens ingevolge het eerste of derde lid zullen worden verstrekt, wordt rekening gehouden met de mate waarin waarborgen in het andere land aanwezig zijn met betrekking tot een juist gebruik van de verstrekte gegevens en met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
5. De gegevens worden steeds verstrekt onder de algemene voorwaarde dat deze slechts zullen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. De beheerder kan in bijzondere gevallen op verzoek van de buitenlandse politie-autoriteiten toestemmen in gebruik voor een ander doel voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak in dat land.
6. Gegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van de wet genoemde kenmerken, worden slechts verstrekt indien dit met het oog op een juiste beantwoording van een door een buitenlandse politie-autoriteit gestelde vraag onvermijdelijk is. Daarbij wordt een aanduiding omtrent de betrouwbaarheid van het gegeven vermeld.
7. De verstrekking vindt plaats door tussenkomst van het Korps landelijke politiediensten. De verstrekking kan echter rechtstreeks plaatsvinden overeenkomstig afspraken met politie-autoriteiten in het buitenland, voor zover met deze afspraken is ingestemd door:
a. Onze Minister van Justitie, indien het gegevens betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de officier van justitie of
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het gegevens betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de burgemeester.
8. Onverminderd het bepaalde in artikel 552 h van het Wetboek van Strafvorderingworden geen gegevens verstrekt:
a. wanneer een vermoeden bestaat dat de gegevens zullen worden gebruikt voor een onderzoek, ingesteld met het oogmerk een verdachte te vervolgen, te straffen, of op andere wijze te treffen in verband met zijn godsdienstige of staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort;
b. voor zover het verstrekken van gegevens zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of een berechting welke onverenigbaar is met het aan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel;
c. ten behoeve van een onderzoek naar feiten terzake waarvan de verdachte in Nederland wordt vervolgd;
d. ten behoeve van een onderzoek naar feiten als bedoeld in artikel 552m van het Wetboek van Strafvordering, dan krachtens een overeenkomstig die bepaling verleende machtiging van Onze Minister van Justitie.
9. Indien grond bestaat voor het vermoeden, bedoeld in het achtste lid, onder a, wordt het verzoek aan Onze Minister van Justitie voorgelegd.
10. Het eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid is niet van toepassing op de politie-ambtenaar uit een ander land die als contactambtenaar is geplaatst bij, bij enig politiekorps of bij het Wapen der Koninklijke marechaussee, voor zover met het land door welke hij is gezonden, daarvan afwijkende afspraken zijn gemaakt waarmee Onze Minister van Justitie heeft ingestemd. Aan hem kunnen gegevens worden verstrekt op gelijke voet als aan Nederlandse politie-ambtenaren voor zover in overeenstemming met deze afspraken.
11. Het eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid is evenmin van toepassing op de Nederlandse politie-ambtenaar of de ambtenaar van de Koninklijke marechaussee die als contactambtenaar of anderszins is gezonden naar het buitenland. Aan hem kunnen gegevens worden verstrekt als ware hij in Nederland. Het eerste, tweede, vierde tot en met zesde alsmede het achtste, negende en twaalfde lid zijn van toepassing bij de verstrekking van de door hen ontvangen gegevens aan politie-autoriteiten in het land waar zij werkzaam zijn.
12. De artikelen 11en 12zijn van overeenkomstige toepassing.
a. voor de goede uitvoering van de politietaak in Nederland of voor de uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van personen door Nederlandse autoriteiten;
b. ter voorkoming van een ernstig en dreigend gevaar of ter opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde in dat land ernstig is geschokt of
c. voor de goede uitvoering van de politietaak in dat land, op grond van een verzoek met betrekking tot een bepaalde persoon of een bepaald geval.
2. In de grensgebieden kunnen gegevens als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder c, ook zonder een daartoe strekkend verzoek worden verstrekt.
3. Uit een politieregister bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties kunnen gegevens worden verstrekt aan van overheidswege aangewezen administratieve of politiële meldpunten in het buitenland die een vergelijkbare taak hebben als het meldpunt. Het zevende lid vindt geen toepassing.
4. Bij de beoordeling van de vraag of gegevens ingevolge het eerste of derde lid zullen worden verstrekt, wordt rekening gehouden met de mate waarin waarborgen in het andere land aanwezig zijn met betrekking tot een juist gebruik van de verstrekte gegevens en met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
5. De gegevens worden steeds verstrekt onder de algemene voorwaarde dat deze slechts zullen worden gebruikt voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt. De beheerder kan in bijzondere gevallen op verzoek van de buitenlandse politie-autoriteiten toestemmen in gebruik voor een ander doel voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak in dat land.
6. Gegevens die betrekking hebben op de in artikel 5, eerste lid, van de wet genoemde kenmerken, worden slechts verstrekt indien dit met het oog op een juiste beantwoording van een door een buitenlandse politie-autoriteit gestelde vraag onvermijdelijk is. Daarbij wordt een aanduiding omtrent de betrouwbaarheid van het gegeven vermeld.
7. De verstrekking vindt plaats door tussenkomst van het Korps landelijke politiediensten. De verstrekking kan echter rechtstreeks plaatsvinden overeenkomstig afspraken met politie-autoriteiten in het buitenland, voor zover met deze afspraken is ingestemd door:
a. Onze Minister van Justitie, indien het gegevens betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de officier van justitie of
b. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, indien het gegevens betreft uit een register dat is aangelegd met het oog op de uitvoering van een taak onder het gezag van de burgemeester.
8. Onverminderd het bepaalde in artikel 552 h van het Wetboek van Strafvorderingworden geen gegevens verstrekt:
a. wanneer een vermoeden bestaat dat de gegevens zullen worden gebruikt voor een onderzoek, ingesteld met het oogmerk een verdachte te vervolgen, te straffen, of op andere wijze te treffen in verband met zijn godsdienstige of staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort;
b. voor zover het verstrekken van gegevens zou strekken tot het verlenen van medewerking aan een vervolging of een berechting welke onverenigbaar is met het aan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel;
c. ten behoeve van een onderzoek naar feiten terzake waarvan de verdachte in Nederland wordt vervolgd;
d. ten behoeve van een onderzoek naar feiten als bedoeld in artikel 552m van het Wetboek van Strafvordering, dan krachtens een overeenkomstig die bepaling verleende machtiging van Onze Minister van Justitie.
9. Indien grond bestaat voor het vermoeden, bedoeld in het achtste lid, onder a, wordt het verzoek aan Onze Minister van Justitie voorgelegd.
10. Het eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid is niet van toepassing op de politie-ambtenaar uit een ander land die als contactambtenaar is geplaatst bij, bij enig politiekorps of bij het Wapen der Koninklijke marechaussee, voor zover met het land door welke hij is gezonden, daarvan afwijkende afspraken zijn gemaakt waarmee Onze Minister van Justitie heeft ingestemd. Aan hem kunnen gegevens worden verstrekt op gelijke voet als aan Nederlandse politie-ambtenaren voor zover in overeenstemming met deze afspraken.
11. Het eerste, tweede en vierde tot en met zevende lid is evenmin van toepassing op de Nederlandse politie-ambtenaar of de ambtenaar van de Koninklijke marechaussee die als contactambtenaar of anderszins is gezonden naar het buitenland. Aan hem kunnen gegevens worden verstrekt als ware hij in Nederland. Het eerste, tweede, vierde tot en met zesde alsmede het achtste, negende en twaalfde lid zijn van toepassing bij de verstrekking van de door hen ontvangen gegevens aan politie-autoriteiten in het land waar zij werkzaam zijn.
12. De artikelen 11en 12zijn van overeenkomstige toepassing.