BWBR0004892
Geldig vanaf 1990-01-01
Artikel 3
Besluit tijdelijke regeling subsidiëring jeugdhulpverlening
De subsidieverlening ten behoeve van een minderjarige jeugdige wordt geweigerd indien de desbetreffende wettelijke vertegenwoordiger aan Onze minister schriftelijk zijn bedenkingen heeft kenbaar gemaakt de hulpverlening, met dien verstande dat, indien de hulpverlening reeds was aangevangen, deze hulpverlening ten behoeve van een jeugdige vanaf uiterlijk zes weken na ontvangst van het bezwaar door de minister niet langer voor subsidie in aanmerking wordt gebracht. De periode van zes weken, bedoeld in de eerste volzin, wordt verlengd met een periode van ten hoogste dertien weken, indien binnen zes weken na ontvangst van de bedoelde bedenkingen door de minister, door de hulpverlenende voorziening aan de minister wordt bericht, dat de raad voor de kinderbescherming de vraag of ten aanzien van een minderjarige een maatregel van justitiële kinderbescherming moet worden toegepast in onderzoek heeft genomen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening, in een voorziening voor pleegzorg of in een instelling voor therapeutische gezinsverpleging, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.
De eerste volzin is niet van toepassing indien het een jeugdige betreft ten aanzien van wie een maatregel van justitiële kinderbescherming is getroffen die strekt tot plaatsing in een voorziening van residentiële hulpverlening, in een voorziening voor pleegzorg of in een instelling voor therapeutische gezinsverpleging, of die een zodanige plaatsing noodzakelijk maakt.