BWBR0004892
Geldig vanaf 1990-01-01
Artikel 20
Besluit tijdelijke regeling subsidiëring jeugdhulpverlening
1. Binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie geeft Onze Minister een beschikking tot vaststelling van de subsidie.
2. Bij de vaststelling van de subsidie ten behoeve van een residentiële voorziening of van een instelling voor therapeutische gezinsverpleging vindt bij een niet gerealiseerde bezetting van meer dan 10% een percentuele verlaging van de subsidie plaats. De percentuele verlaging is het percentuele verschil tussen 90% van de aan de voorziening toegekende capaciteit en de gerealiseerde bezetting, vermenigvuldigd met de uitkomst van de volgende formule:
,
met een maximum van 50% van de verleende subsidie.
3. Bij de vaststelling van de subsidie ten behoeve van een voorziening voor pleegzorg wordt bij een niet gerealiseerde bezetting van meer dan 10% een bedrag in mindering gebracht dat overeenkomt met de vermenigvuldiging van het door Onze minister vastgestelde normbedrag pleegvergoeding met het verschil tussen 90% van de toegekende capaciteit en de gerealiseerde bezetting.
2. Bij de vaststelling van de subsidie ten behoeve van een residentiële voorziening of van een instelling voor therapeutische gezinsverpleging vindt bij een niet gerealiseerde bezetting van meer dan 10% een percentuele verlaging van de subsidie plaats. De percentuele verlaging is het percentuele verschil tussen 90% van de aan de voorziening toegekende capaciteit en de gerealiseerde bezetting, vermenigvuldigd met de uitkomst van de volgende formule:
,
met een maximum van 50% van de verleende subsidie.
3. Bij de vaststelling van de subsidie ten behoeve van een voorziening voor pleegzorg wordt bij een niet gerealiseerde bezetting van meer dan 10% een bedrag in mindering gebracht dat overeenkomt met de vermenigvuldiging van het door Onze minister vastgestelde normbedrag pleegvergoeding met het verschil tussen 90% van de toegekende capaciteit en de gerealiseerde bezetting.