BWBR0004853
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 7
Technische voorschriften lieren, sleepauto's en sleepkabels
1. De bedieningsorganen omvatten alle hefbomen, schakelaars, knoppen, enz., welke door de lierman bediend moeten worden voor de bediening van de lier en de daarop aangebrachte installaties.
2. De bedieningsorganen moeten zodanig zijn opgesteld ten opzichte van de stand- of zitplaats van de lierman, dat de volle uitslag van elk van die organen gemakkelijk kan worden bereikt, ongehinderd door constructiedelen van de lier of door de kleding van de lierman.
3. De bedieningsorganen moeten zodanig zijn uitgevoerd of opgesteld, dat zij geen aanleiding tot verwisseling kunnen geven.
4. De bedieningsrinrichtingen moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd, dat in de war raken van kabels, schuren en slingeren van kabels, kettingen of stootstangen tegen enig deel van de lier alsmede beïnvloeding door bedieningspersoneel of losse voorwerpen hoogst onwaarschijnlijk is. Kabels of kettingen moeten tegen aflopen of afvallen geborgd zijn.
5. De uitslagen van de bedieningsorganen bij de lierman moeten begrensd zijn door deugdelijke aanslagen. Deze aanslagen moeten de belastingen kunnen opnemen, waarvoor het betrokken bedieningsorgaan is ontworpen.
6. De bedieningsorganen mogen niet van stand kunnen veranderen door trillen, schudden of schokken van de lier.
7. Kenmerkende standen van de bedieningsorganen moeten, indien het om vergissingen te voorkomen noodzakelijk is, door een desbetreffend opschrift duidelijk zijn aangegeven.
8. De bewegingsrichting van de betreffende bedieningsorganen moet worden beschouwd ten opzichte van de lierman en in overeenstemming zijn met het volgende:
9. De bedieningsorganen, welke uitsluitend in noodgevallen worden gebruikt, moeten duidelijk gekenmerkt en rood gekleurd zijn. Andere bedieningsorganen mogen niet rood zijn gekleurd.
2. De bedieningsorganen moeten zodanig zijn opgesteld ten opzichte van de stand- of zitplaats van de lierman, dat de volle uitslag van elk van die organen gemakkelijk kan worden bereikt, ongehinderd door constructiedelen van de lier of door de kleding van de lierman.
3. De bedieningsorganen moeten zodanig zijn uitgevoerd of opgesteld, dat zij geen aanleiding tot verwisseling kunnen geven.
4. De bedieningsrinrichtingen moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd, dat in de war raken van kabels, schuren en slingeren van kabels, kettingen of stootstangen tegen enig deel van de lier alsmede beïnvloeding door bedieningspersoneel of losse voorwerpen hoogst onwaarschijnlijk is. Kabels of kettingen moeten tegen aflopen of afvallen geborgd zijn.
5. De uitslagen van de bedieningsorganen bij de lierman moeten begrensd zijn door deugdelijke aanslagen. Deze aanslagen moeten de belastingen kunnen opnemen, waarvoor het betrokken bedieningsorgaan is ontworpen.
6. De bedieningsorganen mogen niet van stand kunnen veranderen door trillen, schudden of schokken van de lier.
7. Kenmerkende standen van de bedieningsorganen moeten, indien het om vergissingen te voorkomen noodzakelijk is, door een desbetreffend opschrift duidelijk zijn aangegeven.
8. De bewegingsrichting van de betreffende bedieningsorganen moet worden beschouwd ten opzichte van de lierman en in overeenstemming zijn met het volgende:
9. De bedieningsorganen, welke uitsluitend in noodgevallen worden gebruikt, moeten duidelijk gekenmerkt en rood gekleurd zijn. Andere bedieningsorganen mogen niet rood zijn gekleurd.