BWBR0004853
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 14
Technische voorschriften lieren, sleepauto's en sleepkabels
1. De bedieningsorganen omvatten alle hefbomen, schakelaars, knoppen, kranen, enz., welke hetzij door de bestuurder, hetzij door de startman bediend moeten worden voor een goed verloop van het sleepproces.
2. De bedieningsorganen moeten zodanig zijn opgesteld ten opzichte van de stand- of zitplaats van diegene die ze bedient, dat de volle uitslag van elk van die organen gemakkelijk kan worden bereikt, ongehinderd door constructiedelen van de sleepauto of door de kleding van de betreffende persoon.
3. De bedieningsorganen moeten zodanig zijn uitgevoerd of opgesteld, dat zij geen aanleiding tot verwisseling kunnen geven.
4. De bedieningsinrichtingen moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd, dat in de war raken van kabels, schuren en slingeren van kabels, kettingen of stootstangen tegen enig deel van de sleepauto alsmede beïnvloeding door inzittenden of losse voorwerpen hoogst onwaarschijnlijk is. Kabels en kettingen moeten tegen aflopen of afvallen geborgd zijn.
5. De bedieningsorganen mogen niet van stand kunnen veranderen door trillen, schudden of schokken van de sleepauto.
6. Kenmerkende standen van de bedieningsorganen moeten, indien het om vergissingen te voorkomen noodzakelijk is, door een desbetreffend opschrift duidelijk zijn aangegeven.
7. De bedieningsorganen, welke uitsluitend in noodgevallen worden gebruikt, moeten duidelijk gekenmerkt en rood gekleurd zijn. Andere bedieningsorganen mogen niet rood zijn gekleurd.
2. De bedieningsorganen moeten zodanig zijn opgesteld ten opzichte van de stand- of zitplaats van diegene die ze bedient, dat de volle uitslag van elk van die organen gemakkelijk kan worden bereikt, ongehinderd door constructiedelen van de sleepauto of door de kleding van de betreffende persoon.
3. De bedieningsorganen moeten zodanig zijn uitgevoerd of opgesteld, dat zij geen aanleiding tot verwisseling kunnen geven.
4. De bedieningsinrichtingen moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd, dat in de war raken van kabels, schuren en slingeren van kabels, kettingen of stootstangen tegen enig deel van de sleepauto alsmede beïnvloeding door inzittenden of losse voorwerpen hoogst onwaarschijnlijk is. Kabels en kettingen moeten tegen aflopen of afvallen geborgd zijn.
5. De bedieningsorganen mogen niet van stand kunnen veranderen door trillen, schudden of schokken van de sleepauto.
6. Kenmerkende standen van de bedieningsorganen moeten, indien het om vergissingen te voorkomen noodzakelijk is, door een desbetreffend opschrift duidelijk zijn aangegeven.
7. De bedieningsorganen, welke uitsluitend in noodgevallen worden gebruikt, moeten duidelijk gekenmerkt en rood gekleurd zijn. Andere bedieningsorganen mogen niet rood zijn gekleurd.