BWBR0004853
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 2
Technische voorschriften lieren, sleepauto's en sleepkabels
1. Een lier moet omvatten:
a. een liermechanisme, omvattende de krachtbron, de kabeltrommel en het overbrengingsmechanisme tussen de krachtbron en de kabeltrommel;
b. een inrichting voor het doorsnijden of kappen van de kabel, hierna te noemen ‘kap-inrichting’;
c. een inrichting voor het geleiden van de kabel naar de kabeltrommel, hierna te noemen ‘kabelgeleiding’;
d. instrumenten voor controle van de goede werking van de krachtbron en voor controle van het sleepproces;
e. afschermende delen, welke het bedieningspersoneel beschermen tegen mogelijke gevaren, welke aan het verblijf op of nabij de lier zijn verbonden;
f. een inrichting, waarmede verhinderd wordt, dat de lier tijdens het gebruik zodanig van stand verandert, dat daardoor de veiligheid in gevaar wordt gebracht.
2. De constructie van de lier alsmede van de daarop aangebrachte installaties moet voldoende sterkte en stijfheid bezitten om de daarop uitgeoefende krachten zonder ontoelaatbare vervorming te kunnen opnemen.
3. Bij gebruik van de lier mogen geen schokken of trillingen optreden, welke de goede werking van de lier of enig onderdeel daarvan zouden kunnen benadelen dan wel schade aan de sleepkabel zouden kunnen veroorzaken.
4. De lierman moet zodanig op of nabij de lier zijn opgesteld, dat hij een voldoend, voor zover mogelijk onbeperkt, uitzicht naar alle zijden heeft en dat hij het zweefvliegtuig tijdens het lieren gemakkelijk kan waarnemen.
a. een liermechanisme, omvattende de krachtbron, de kabeltrommel en het overbrengingsmechanisme tussen de krachtbron en de kabeltrommel;
b. een inrichting voor het doorsnijden of kappen van de kabel, hierna te noemen ‘kap-inrichting’;
c. een inrichting voor het geleiden van de kabel naar de kabeltrommel, hierna te noemen ‘kabelgeleiding’;
d. instrumenten voor controle van de goede werking van de krachtbron en voor controle van het sleepproces;
e. afschermende delen, welke het bedieningspersoneel beschermen tegen mogelijke gevaren, welke aan het verblijf op of nabij de lier zijn verbonden;
f. een inrichting, waarmede verhinderd wordt, dat de lier tijdens het gebruik zodanig van stand verandert, dat daardoor de veiligheid in gevaar wordt gebracht.
2. De constructie van de lier alsmede van de daarop aangebrachte installaties moet voldoende sterkte en stijfheid bezitten om de daarop uitgeoefende krachten zonder ontoelaatbare vervorming te kunnen opnemen.
3. Bij gebruik van de lier mogen geen schokken of trillingen optreden, welke de goede werking van de lier of enig onderdeel daarvan zouden kunnen benadelen dan wel schade aan de sleepkabel zouden kunnen veroorzaken.
4. De lierman moet zodanig op of nabij de lier zijn opgesteld, dat hij een voldoend, voor zover mogelijk onbeperkt, uitzicht naar alle zijden heeft en dat hij het zweefvliegtuig tijdens het lieren gemakkelijk kan waarnemen.