BWBR0004853
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 4
Technische voorschriften lieren, sleepauto's en sleepkabels
1. De kapinrichting moet zodanig zijn uitgevoerd, dat:
a. de kabel onder alle omstandigheden snel geheel kan worden doorgesneden;
b. Na het doorsnijden de kabel niet verward of geklemd kan raken tussen delen van de kapinrichting of andere delen van de lier;
c. tijdens het doorsnijden van de kabel het bedieningspersoneel geen gevaar loopt.
2. Het is wenselijk, dat het doorsnijden van de kabel zodanig geschiedt, dat het ene deel van de kabel ten opzichte van het andere deel wordt afgeschoven.
3. Indien een bedrijfsklare kapinrichting zodanig geblokkeerd kan worden dat zonder gevaar voor lichamelijk letsel werkzaamheden aan en in de naaste omgeving van de kapinrichting kunnen plaatsvinden, moet de lierman vanaf zijn stand- of zitplaats onmiddellijk en duidelijk kunnen waarnemen of de kapinrichting al dan niet geblokkeerd is.
4. De in rust zijnde, gespannen kabel moet zich onder alle voorkomende omstandigheden ten opzichte van enig deel van de kapinrichting op een afstand van tenminste 5 mm bevinden. In het bijzonder moeten de snijkanten van die delen, welke de kabel moeten doorsnijden, afdoende beschermd zijn tegen aanraking door de kabel, behalve in het geval, dat de kapinrichting in werking wordt gesteld.
5. De lierman moet de kapinrichting vanaf zijn stand- of zitplaats gemakkelijk en snel in werking kunnen stellen. De kracht welke daartoe door de lierman op de bedieningshefboom moet worden uitgeoefend, mag niet meer dan 15 kg (150 N) bedragen. De slag van de bedieningshefboom mag ten hoogste 30 cm bedragen. De veiligheidsfactor tegen blijvende vervorming, welke bij de sterkteberekening van de bedieningsinrichting gebruikt moet zijn, bedraagt 6.
6. De kapinrichting moet geschikt zijn voor de te gebruiken sleepkabel, hetgeen moet worden aangetoond met de volgende proeven. Met de kapinrichting worden 5 achtereenvolgende snijproeven genomen. Bij elke snijproef moet een proefstuk, als hieronder omschreven, geheel worden doorgesneden, terwijl steeds dezelfde gedeelten van de snijdende delen met het proefstuk in aanraking zijn. Het proefstuk moet bestaan uit 3 tegen elkaar liggende kabels, elk met een diameter gelijk aan:
a. 4 mm, indien de diameter van de te gebruiken sleepkabel 4 mm of minder bedraagt of;
b. de diameter van de te gebruiken sleepkabel, indien deze meer dan 4 mm bedraagt. Het materiaal van het proefstuk moet gelijk zijn of gelijkwaardig zijn aan het materiaal, waaruit een kabel wordt vervaardigd. Na afloop van de proeven mag geen onderdeel enige blijvende vervorming te zien geven en mogen de snijdende delen geen noemenswaardige slijtage vertonen.
7. Indien de stand van de kapinrichting tijdens het bedrijf van de lier kan veranderen als gevolg van de verandering van trekrichting van de kabel, moet de goede werking van de kapinrichting en de bedieningsinrichting daarvan in alle te verwachten standen kunnen worden aangetoond.
a. de kabel onder alle omstandigheden snel geheel kan worden doorgesneden;
b. Na het doorsnijden de kabel niet verward of geklemd kan raken tussen delen van de kapinrichting of andere delen van de lier;
c. tijdens het doorsnijden van de kabel het bedieningspersoneel geen gevaar loopt.
2. Het is wenselijk, dat het doorsnijden van de kabel zodanig geschiedt, dat het ene deel van de kabel ten opzichte van het andere deel wordt afgeschoven.
3. Indien een bedrijfsklare kapinrichting zodanig geblokkeerd kan worden dat zonder gevaar voor lichamelijk letsel werkzaamheden aan en in de naaste omgeving van de kapinrichting kunnen plaatsvinden, moet de lierman vanaf zijn stand- of zitplaats onmiddellijk en duidelijk kunnen waarnemen of de kapinrichting al dan niet geblokkeerd is.
4. De in rust zijnde, gespannen kabel moet zich onder alle voorkomende omstandigheden ten opzichte van enig deel van de kapinrichting op een afstand van tenminste 5 mm bevinden. In het bijzonder moeten de snijkanten van die delen, welke de kabel moeten doorsnijden, afdoende beschermd zijn tegen aanraking door de kabel, behalve in het geval, dat de kapinrichting in werking wordt gesteld.
5. De lierman moet de kapinrichting vanaf zijn stand- of zitplaats gemakkelijk en snel in werking kunnen stellen. De kracht welke daartoe door de lierman op de bedieningshefboom moet worden uitgeoefend, mag niet meer dan 15 kg (150 N) bedragen. De slag van de bedieningshefboom mag ten hoogste 30 cm bedragen. De veiligheidsfactor tegen blijvende vervorming, welke bij de sterkteberekening van de bedieningsinrichting gebruikt moet zijn, bedraagt 6.
6. De kapinrichting moet geschikt zijn voor de te gebruiken sleepkabel, hetgeen moet worden aangetoond met de volgende proeven. Met de kapinrichting worden 5 achtereenvolgende snijproeven genomen. Bij elke snijproef moet een proefstuk, als hieronder omschreven, geheel worden doorgesneden, terwijl steeds dezelfde gedeelten van de snijdende delen met het proefstuk in aanraking zijn. Het proefstuk moet bestaan uit 3 tegen elkaar liggende kabels, elk met een diameter gelijk aan:
a. 4 mm, indien de diameter van de te gebruiken sleepkabel 4 mm of minder bedraagt of;
b. de diameter van de te gebruiken sleepkabel, indien deze meer dan 4 mm bedraagt. Het materiaal van het proefstuk moet gelijk zijn of gelijkwaardig zijn aan het materiaal, waaruit een kabel wordt vervaardigd. Na afloop van de proeven mag geen onderdeel enige blijvende vervorming te zien geven en mogen de snijdende delen geen noemenswaardige slijtage vertonen.
7. Indien de stand van de kapinrichting tijdens het bedrijf van de lier kan veranderen als gevolg van de verandering van trekrichting van de kabel, moet de goede werking van de kapinrichting en de bedieningsinrichting daarvan in alle te verwachten standen kunnen worden aangetoond.