BWBR0004853
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 5
Technische voorschriften lieren, sleepauto's en sleepkabels
1. De kabelgeleiding moet zodanig zijn geconstrueerd, dat
a. de kabel niet in aanraking kan komen met delen van de lier, welke niet daarvoor bestemd zijn;
b. de kabel niet beklemd kan raken;
c. de kabel zich bij een doelmatige opstelling van de lier met het vrije einde onbelemmerd kan bewegen binnen de ruimte van de hierna omschreven viervlakshoek (zie bijlage A). Het hoekpunt van de bedoelde viervlakshoek wordt gevormd door het invoerpunt van de horizontaal gehouden kabel in de kabelgeleiding. Een zijde ligt in een verticaal vlak, evenwijdig met de as van de kabeltrommel. De ribben, welke aan deze zijde grenzen, sluiten een hoek van 20 graden in. De verticale zijde sluit met zijn overstaande een standhoek van 100 graden in. De ribben welke aan deze overstaande zijde grenzen, sluiten een hoek van 70 graden in. De bedoelde standhoek ligt in een standvlak, dat evenwijdig loopt aan of ligt in het vlak, dat door de bissectrices van de hoeken tussen de ribben van respectievelijk de verticale zijde en zijn overstaande zijde kan worden gedacht.
2. Draaiende delen van de kabelgeleiding moeten onder alle omstandigheden gemakkelijk en zonder slingering kunnen draaien.
3. Ten aanzien van geleiderollen of geleideschijven geldt:
a. De geleiderollen of schijven, welke de kabel in het verticale vlak geleiden, moeten gedurende het wikkelen van de kabel op de kabeltrommel door de kabel worden aangedreven;
b. Indien tijdens de opstijging de kabel de geleiderollen of -schijven over een boog van tenminste 60 graden raakt, moet de diameter van deze rollen of schijven tenminste 300 maal de diameter van de afzonderlijke draden van de kabel bedragen. De geleiderollen of -schijven moeten tenminste een middellijn van 8 cm bezitten. Bij geleideschijven wordt de middellijn in de groef gemeten.
c. Indien bij geleiderollen de kabel tijdens de opstijging loodrecht op de draairichting van de rol langs de rol kan verschuiven, mogen in de oppervlakte van de rol geen groeven voorkomen, welke een grotere diepte hebben dan ¼ van de diameter van de kabel.
4. Het regelmatig verdelen van de kabel op de kabeltrommel tijdens het lieren moet op zodanige wijze geschieden, dat de lierman hiermede geen bemoeienis heeft.
a. de kabel niet in aanraking kan komen met delen van de lier, welke niet daarvoor bestemd zijn;
b. de kabel niet beklemd kan raken;
c. de kabel zich bij een doelmatige opstelling van de lier met het vrije einde onbelemmerd kan bewegen binnen de ruimte van de hierna omschreven viervlakshoek (zie bijlage A). Het hoekpunt van de bedoelde viervlakshoek wordt gevormd door het invoerpunt van de horizontaal gehouden kabel in de kabelgeleiding. Een zijde ligt in een verticaal vlak, evenwijdig met de as van de kabeltrommel. De ribben, welke aan deze zijde grenzen, sluiten een hoek van 20 graden in. De verticale zijde sluit met zijn overstaande een standhoek van 100 graden in. De ribben welke aan deze overstaande zijde grenzen, sluiten een hoek van 70 graden in. De bedoelde standhoek ligt in een standvlak, dat evenwijdig loopt aan of ligt in het vlak, dat door de bissectrices van de hoeken tussen de ribben van respectievelijk de verticale zijde en zijn overstaande zijde kan worden gedacht.
2. Draaiende delen van de kabelgeleiding moeten onder alle omstandigheden gemakkelijk en zonder slingering kunnen draaien.
3. Ten aanzien van geleiderollen of geleideschijven geldt:
a. De geleiderollen of schijven, welke de kabel in het verticale vlak geleiden, moeten gedurende het wikkelen van de kabel op de kabeltrommel door de kabel worden aangedreven;
b. Indien tijdens de opstijging de kabel de geleiderollen of -schijven over een boog van tenminste 60 graden raakt, moet de diameter van deze rollen of schijven tenminste 300 maal de diameter van de afzonderlijke draden van de kabel bedragen. De geleiderollen of -schijven moeten tenminste een middellijn van 8 cm bezitten. Bij geleideschijven wordt de middellijn in de groef gemeten.
c. Indien bij geleiderollen de kabel tijdens de opstijging loodrecht op de draairichting van de rol langs de rol kan verschuiven, mogen in de oppervlakte van de rol geen groeven voorkomen, welke een grotere diepte hebben dan ¼ van de diameter van de kabel.
4. Het regelmatig verdelen van de kabel op de kabeltrommel tijdens het lieren moet op zodanige wijze geschieden, dat de lierman hiermede geen bemoeienis heeft.