BWBR0004853
Geldig vanaf 1990-09-16
Artikel 16
Technische voorschriften lieren, sleepauto's en sleepkabels
1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn uitsluitend van toepassing op sleepkabels, welke gebruikt worden voor de opstijging van een zweefvliegtuig met behulp van een lier of een sleepauto.
2. De sleepkabel, welke wordt gebruikt voor de opstijging met behulp van een lier, moet omvatten:
a. een kabel van zodanige lengte dat bij een windsnelheid van 0 m/sec het zweefvliegtuig bij normaal bedrijf ten-minste een hoogte van 250 m kan bereiken;
b. een breukstuk van de voorgeschreven nominale sterkte;
c. een ring ter bevestiging van de kabel aan het zweefvliegtuig.
Het gebruik van een kabelvalscherm, dat dient om de valsnelheid van de sleepkabel te verkleinen, wordt aanbevolen.
3. De sleepkabel, welke wordt gebruikt voor de opstijging met behulp van een sleepauto, moet de volgende delen omvatten:
a. de in het vorige lid genoemde delen;
b. een ring ter bevestiging van de kabel aan de sleepauto.
4. Alle onderdelen van de sleepkabel, met uitzondering van het breukstuk, moeten een trekkracht kunnen opnemen, welke tenminste 1,5 maal de nominale sterkte van het breukstuk bedraagt. Voorts moeten de ring(en) en de in artikel 17, eerste lid, bedoelde breukstukhouder zonder blijvende vervorming een trekkracht kunnen opnemen, welke tenminste 1,5 maal de nominale sterkte van het breukstuk bedraagt.
5. Delen van de sleepkabels, welke door geregeld optredende breuk of door andere tekenen van verval (haren enz.) bewijzen niet meer de in het vorige lid vereiste sterkte bezitten, moeten worden vervangen.
Afzonderlijke stukken van sleepkabels (bijvoorbeeld na breken of vervangen van versleten stukken) moeten aan elkaar verbonden worden door middel van deugdelijke splitsen of klemmen. Bij gebruik van klemmen moeten tenminste twee klemmen worden aangebracht. In enig deel met een lengte van 100 meter van een lierkabel mogen zich niet meer dan twee van bovengenoemde verbindingen bevinden.
6. Bij een sleepkabel, welke wordt gebruikt voor de opstijging met behulp van een sleepauto, moet de ring ter bevestiging van de sleepkabel aan de sleepauto duidelijk als zodanig gekenmerkt zijn.
7. Alle verbindingselementen van de sleepkabel, zoals harpsluitingen en karabijnhaken, moeten voldoende bedrijfszeker zijn, zodat deze tijdens het slepen niet kunnen losraken.
2. De sleepkabel, welke wordt gebruikt voor de opstijging met behulp van een lier, moet omvatten:
a. een kabel van zodanige lengte dat bij een windsnelheid van 0 m/sec het zweefvliegtuig bij normaal bedrijf ten-minste een hoogte van 250 m kan bereiken;
b. een breukstuk van de voorgeschreven nominale sterkte;
c. een ring ter bevestiging van de kabel aan het zweefvliegtuig.
Het gebruik van een kabelvalscherm, dat dient om de valsnelheid van de sleepkabel te verkleinen, wordt aanbevolen.
3. De sleepkabel, welke wordt gebruikt voor de opstijging met behulp van een sleepauto, moet de volgende delen omvatten:
a. de in het vorige lid genoemde delen;
b. een ring ter bevestiging van de kabel aan de sleepauto.
4. Alle onderdelen van de sleepkabel, met uitzondering van het breukstuk, moeten een trekkracht kunnen opnemen, welke tenminste 1,5 maal de nominale sterkte van het breukstuk bedraagt. Voorts moeten de ring(en) en de in artikel 17, eerste lid, bedoelde breukstukhouder zonder blijvende vervorming een trekkracht kunnen opnemen, welke tenminste 1,5 maal de nominale sterkte van het breukstuk bedraagt.
5. Delen van de sleepkabels, welke door geregeld optredende breuk of door andere tekenen van verval (haren enz.) bewijzen niet meer de in het vorige lid vereiste sterkte bezitten, moeten worden vervangen.
Afzonderlijke stukken van sleepkabels (bijvoorbeeld na breken of vervangen van versleten stukken) moeten aan elkaar verbonden worden door middel van deugdelijke splitsen of klemmen. Bij gebruik van klemmen moeten tenminste twee klemmen worden aangebracht. In enig deel met een lengte van 100 meter van een lierkabel mogen zich niet meer dan twee van bovengenoemde verbindingen bevinden.
6. Bij een sleepkabel, welke wordt gebruikt voor de opstijging met behulp van een sleepauto, moet de ring ter bevestiging van de sleepkabel aan de sleepauto duidelijk als zodanig gekenmerkt zijn.
7. Alle verbindingselementen van de sleepkabel, zoals harpsluitingen en karabijnhaken, moeten voldoende bedrijfszeker zijn, zodat deze tijdens het slepen niet kunnen losraken.