BWBR0004795
Geldig vanaf 1990-08-01
Artikel 9
Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B
1. Indien de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen wordt bepaald aan de hand van een uitworpkarakteristiek als bedoeld in voorschrift 10.3.3, onder b, van bijlage I van het besluit, moet de stookinstallatie op zodanige wijze worden gebruikt dat de uitworpkarakteristiek daarop van toepassing is.
2. De uitworpkarakteristiek dient opnieuw te worden bepaald indien er wijzigingen aan de stookinstallatie worden aangebracht die de bestaande uitworpkarakteristiek kunnen beïnvloeden.
3. Bij het vaststellen van de uitworpkarakteristiek dient de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen te worden gemeten volgens de norm NEN 2044.
4. In afwijking van het derde lid mag de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen ook worden gemeten volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en ten minste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.
5. Bij toepassing van voorschrift 10.3.3, onder b, van bijlage I van het besluitop een gasturbine of gasturbine-installatie, dient tevens de geïnjecteerde hoeveelheid inert materiaal continu te worden bepaald.
6. Continue meting van een parameter als bedoeld in voorschrift 10.3.3, onder b, van bijlage I van het besluit, dient te worden uitgevoerd volgens een methode die overeenstemt met de algemeen aanvaarde meetpraktijk.
2. De uitworpkarakteristiek dient opnieuw te worden bepaald indien er wijzigingen aan de stookinstallatie worden aangebracht die de bestaande uitworpkarakteristiek kunnen beïnvloeden.
3. Bij het vaststellen van de uitworpkarakteristiek dient de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen te worden gemeten volgens de norm NEN 2044.
4. In afwijking van het derde lid mag de concentratie aan stikstofoxiden in de rookgassen ook worden gemeten volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en ten minste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.
5. Bij toepassing van voorschrift 10.3.3, onder b, van bijlage I van het besluitop een gasturbine of gasturbine-installatie, dient tevens de geïnjecteerde hoeveelheid inert materiaal continu te worden bepaald.
6. Continue meting van een parameter als bedoeld in voorschrift 10.3.3, onder b, van bijlage I van het besluit, dient te worden uitgevoerd volgens een methode die overeenstemt met de algemeen aanvaarde meetpraktijk.