BWBR0004795
Geldig vanaf 1990-08-01
Artikel 8
Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B
1. Bij toepassing van een methode als bedoeld in artikel 7, kan worden volstaan met het continu meten van de concentratie aan stikstofmonoxide, indien kan worden aangetoond dat het gehalte aan stikstofdioxide kleiner is dan 10 procent van het gehalte aan stikstofoxiden.
2. Het aantonen als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden aan de hand van een meting volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en ten minste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.
3. Bij toepassing van het eerste lid dient de continu gemeten massaconcentratie aan stikstofmonoxide, berekend als stikstofdioxide, verhoudingsgewijs te worden vermeerderd met het bij de metingen, bedoeld in het tweede lid, bepaalde gehalte aan stikstofdioxide.
2. Het aantonen als bedoeld in het eerste lid dient te geschieden aan de hand van een meting volgens de norm NEN 2039, of met een andere methode indien daarbij meetresultaten worden verkregen die niet significant verschillen van meetresultaten verkregen met metingen volgens de norm NEN 2039 en ten minste een gelijke herhaalbaarheid wordt verkregen als met de methode volgens de norm NEN 2039.
3. Bij toepassing van het eerste lid dient de continu gemeten massaconcentratie aan stikstofmonoxide, berekend als stikstofdioxide, verhoudingsgewijs te worden vermeerderd met het bij de metingen, bedoeld in het tweede lid, bepaalde gehalte aan stikstofdioxide.