Artikel 1
1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. brandstof: een brandstof in de zin van de Wet inzake de luchtverontreiniging;
b. kolen: steenkool of uit steenkool vervaardigde vaste brandstoffen, bruinkool en geperste bruinkool;
c. zware stookolie: zware stookolie in de zin van de Wet op de accijns (Stb. 1991, 561) alsmede aardolie en produkten van aardolie waarvan het vloeipunt boven 40°C ligt;
d. gasolie: gasolie in de zin van de Wet op de accijns;
e. ketelinstallatie: een installatie, bestaande uit een ketel waarin brandstoffen worden verstookt, daaronder begrepen de bij de installatie behorende voorzieningen voor de reiniging van rookgas, en in hoofdzaak bedoeld om kracht op te wekken of om warmte over te dragen aan water of stoom dan wel een combinatie daarvan;
f. bestaande ketelinstallatie: een ketelinstallatie die voor 1 augustus 1990 is opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus 1990 een vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de ketelinstallatie geheel vervangen is dan wel, anders dan ter voldoening aan dit besluit, de combinatie van brander en vuurhaard door een andere is vervangen of aan die combinatie wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw overeenkomen;
g. gasturbine: een werktuig, bestaande uit een compressor, één of meer verbrandingskamers en een turbine waarin brandstof met behulp van door de compressor gecomprimeerde lucht wordt verstookt, waarna het geproduceerde verbrandingsgas in de turbine tot een lagere druk expandeert en daarbij arbeid afgeeft aan een roterende as;
h. bestaande gasturbine: een gasturbine die voor 1 augustus 1990 is opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus 1990 een vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de gasturbine geheel vervangen is dan wel, anders dan ter voldoening aan dit besluit, wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw overeenkomen;
i. gasturbine-installatie: een installatie, bestaande uit een of meer gasturbines waarin brandstof wordt verstookt, met een of meer bijbehorende ketelinstallaties waar de verbrandingsgassen van deze gasturbine dan wel gasturbines doorheen worden gevoerd teneinde warmte over te dragen aan een medium dat niet in direct contact treedt met die gassen en waarin al of niet brandstof wordt verstookt en waarbij geen dan wel nagenoeg geen extra lucht voor de verbranding wordt toegevoerd;
j. bestaande gasturbine-installatie: een gasturbine-installatie die voor 1 augustus 1990 is opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus 1990 een vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de gasturbineinstallatie geheel vervangen is dan wel, anders dan ter voldoening aan dit besluit, wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw overeenkomen;
k. zuigermotor: een installatie, bestaande uit een toestel waarin een door verbranding van brandstof verkregen gasmengsel een zuiger in beweging brengt voor de aandrijving van een werktuig;
l. bestaande zuigermotor: een zuigermotor die voor 1 augustus 1990 is opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus 1990 een vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de zuigermotor geheel is vervangen;
m. stookinstallatie: een ketelinstallatie, een gasturbine-installatie, een gasturbine of een zuigermotor, die is opgesteld in een inrichting waarop het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A niet van toepassing is;
n. warmte-inhoud van een hoeveelheid brandstof: de op de onderste verbrandingswaarde betrokken hoeveelheid energie die bij de verbranding van die hoeveelheid brandstof vrijkomt;
o. thermisch vermogen: de warmte-inhoud van de maximale hoeveelheid brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een stookinstallatie;
p. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de betrokken inrichting te verlenen;
q. vergunning: een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.
2. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt het begrip vergunning uitsluitend gebruikt ter aanduiding van het gedeelte van de vergunning dat betrekking heeft op de stookinstallatie.
3. Voor stookinstallaties die behoren tot een inrichting waarvoor de vergunningplicht is opgeheven, geldt voor de toepassing van dit besluit in plaats van de datum van vergunningverlening de datum van oprichting van de stookinstallatie.
a. brandstof: een brandstof in de zin van de Wet inzake de luchtverontreiniging;
b. kolen: steenkool of uit steenkool vervaardigde vaste brandstoffen, bruinkool en geperste bruinkool;
c. zware stookolie: zware stookolie in de zin van de Wet op de accijns (Stb. 1991, 561) alsmede aardolie en produkten van aardolie waarvan het vloeipunt boven 40°C ligt;
d. gasolie: gasolie in de zin van de Wet op de accijns;
e. ketelinstallatie: een installatie, bestaande uit een ketel waarin brandstoffen worden verstookt, daaronder begrepen de bij de installatie behorende voorzieningen voor de reiniging van rookgas, en in hoofdzaak bedoeld om kracht op te wekken of om warmte over te dragen aan water of stoom dan wel een combinatie daarvan;
f. bestaande ketelinstallatie: een ketelinstallatie die voor 1 augustus 1990 is opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus 1990 een vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de ketelinstallatie geheel vervangen is dan wel, anders dan ter voldoening aan dit besluit, de combinatie van brander en vuurhaard door een andere is vervangen of aan die combinatie wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw overeenkomen;
g. gasturbine: een werktuig, bestaande uit een compressor, één of meer verbrandingskamers en een turbine waarin brandstof met behulp van door de compressor gecomprimeerde lucht wordt verstookt, waarna het geproduceerde verbrandingsgas in de turbine tot een lagere druk expandeert en daarbij arbeid afgeeft aan een roterende as;
h. bestaande gasturbine: een gasturbine die voor 1 augustus 1990 is opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus 1990 een vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de gasturbine geheel vervangen is dan wel, anders dan ter voldoening aan dit besluit, wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw overeenkomen;
i. gasturbine-installatie: een installatie, bestaande uit een of meer gasturbines waarin brandstof wordt verstookt, met een of meer bijbehorende ketelinstallaties waar de verbrandingsgassen van deze gasturbine dan wel gasturbines doorheen worden gevoerd teneinde warmte over te dragen aan een medium dat niet in direct contact treedt met die gassen en waarin al of niet brandstof wordt verstookt en waarbij geen dan wel nagenoeg geen extra lucht voor de verbranding wordt toegevoerd;
j. bestaande gasturbine-installatie: een gasturbine-installatie die voor 1 augustus 1990 is opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus 1990 een vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de gasturbineinstallatie geheel vervangen is dan wel, anders dan ter voldoening aan dit besluit, wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw overeenkomen;
k. zuigermotor: een installatie, bestaande uit een toestel waarin een door verbranding van brandstof verkregen gasmengsel een zuiger in beweging brengt voor de aandrijving van een werktuig;
l. bestaande zuigermotor: een zuigermotor die voor 1 augustus 1990 is opgericht of met betrekking waartoe voor 1 augustus 1990 een vergunning is verleend, tenzij na dat tijdstip de zuigermotor geheel is vervangen;
m. stookinstallatie: een ketelinstallatie, een gasturbine-installatie, een gasturbine of een zuigermotor, die is opgesteld in een inrichting waarop het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A niet van toepassing is;
n. warmte-inhoud van een hoeveelheid brandstof: de op de onderste verbrandingswaarde betrokken hoeveelheid energie die bij de verbranding van die hoeveelheid brandstof vrijkomt;
o. thermisch vermogen: de warmte-inhoud van de maximale hoeveelheid brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een stookinstallatie;
p. bevoegd gezag: het bestuursorgaan dat bevoegd is of zou zijn een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de betrokken inrichting te verlenen;
q. vergunning: een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.
2. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt het begrip vergunning uitsluitend gebruikt ter aanduiding van het gedeelte van de vergunning dat betrekking heeft op de stookinstallatie.
3. Voor stookinstallaties die behoren tot een inrichting waarvoor de vergunningplicht is opgeheven, geldt voor de toepassing van dit besluit in plaats van de datum van vergunningverlening de datum van oprichting van de stookinstallatie.