BWBR0004616
Geldig vanaf 1989-09-21
Artikel 6
Rechtspositieregeling assistenten in opleiding en akademie-onderzoekers bij de rijksonderzoekinstituten
1. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat na overleg met de aan te stellen dan wel aangestelde assistent in opleiding en in overeenstemming met de aangewezen begeleider dan wel promotor, bedoeld in het vierde lid, onder b, voor iedere assistent in opleiding een op betrokkene afgestemd opleidings- en begeleidingsplan wordt vastgesteld.
2. Ingeval de assistent in opleiding wordt aangesteld ter vervaardiging van een proefschrift dan wel proefontwerp, geschiedt die aanstelling niet dan nadat in het opleidings- en begeleidingsplan de afspraken zijn vastgelegd, die het bevoegd gezag met een universiteit heeft gemaakt over de universitaire opleiding en begeleiding van betrokkene.
3. Het opleidings- en begeleidingsplan wordt tegen het einde van het eerste jaar voor de verdere duur van de aanstelling nader ingevuld en wordt zo nodig van jaar tot jaar bijgesteld.
4. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid worden in het opleidings- en begeleidingsplan in ieder geval vastgelegd:
a. welke kennis en vaardigheden dienen te worden verworven en op welke wijze dit dient plaats te vinden;
b. wie de begeleider, en indien promotie wordt beoogd, wie de promotor zal zijn;
c. de omvang in uren per maand van door de aangewezen begeleider dan wel promotor te geven persoonlijke begeleiding waarop de assistent in opleiding ten minste recht heeft.
2. Ingeval de assistent in opleiding wordt aangesteld ter vervaardiging van een proefschrift dan wel proefontwerp, geschiedt die aanstelling niet dan nadat in het opleidings- en begeleidingsplan de afspraken zijn vastgelegd, die het bevoegd gezag met een universiteit heeft gemaakt over de universitaire opleiding en begeleiding van betrokkene.
3. Het opleidings- en begeleidingsplan wordt tegen het einde van het eerste jaar voor de verdere duur van de aanstelling nader ingevuld en wordt zo nodig van jaar tot jaar bijgesteld.
4. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid worden in het opleidings- en begeleidingsplan in ieder geval vastgelegd:
a. welke kennis en vaardigheden dienen te worden verworven en op welke wijze dit dient plaats te vinden;
b. wie de begeleider, en indien promotie wordt beoogd, wie de promotor zal zijn;
c. de omvang in uren per maand van door de aangewezen begeleider dan wel promotor te geven persoonlijke begeleiding waarop de assistent in opleiding ten minste recht heeft.