BWBR0004616
Geldig vanaf 1989-09-21
Artikel 13
Rechtspositieregeling assistenten in opleiding en akademie-onderzoekers bij de rijksonderzoekinstituten
1. Voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek op specifieke personeelsplaatsen die mede op advies van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen zijn toegewezen kunnen personen die een doctoraat hebben verworven in tijdelijke dienst als akademie-onderzoeker worden aangesteld, mits de duur van de aanstelling de tijd van vijf jaren niet te boven gaat.
2. Vóór het verstrijken van de tijd waarvoor de akademieonderzoeker ingevolge het eerste lid is aangesteld, onderzoekt het bevoegd gezag of binnen zijn gezagsbereik de akademie-onderzoeker een andere mede in verband met de persoonlijkheid en omstandigheden van betrokkene passende betrekking kan worden opgedragen. Indien zulks niet mogelijk blijkt te zijn, wordt aan betrokkene met ingang van het tijdstip waarop de in de eerste volzin bedoelde tijd is verstreken eervol ontslag verleend.
3. De akademie-onderzoeker aan wie op grond van het bepaalde in het tweede lid ontslag is verleend, heeft aanspraak op wachtgeld krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959( Stb.319), onverminderd het bepaalde in artikel 5van dat besluit.
2. Vóór het verstrijken van de tijd waarvoor de akademieonderzoeker ingevolge het eerste lid is aangesteld, onderzoekt het bevoegd gezag of binnen zijn gezagsbereik de akademie-onderzoeker een andere mede in verband met de persoonlijkheid en omstandigheden van betrokkene passende betrekking kan worden opgedragen. Indien zulks niet mogelijk blijkt te zijn, wordt aan betrokkene met ingang van het tijdstip waarop de in de eerste volzin bedoelde tijd is verstreken eervol ontslag verleend.
3. De akademie-onderzoeker aan wie op grond van het bepaalde in het tweede lid ontslag is verleend, heeft aanspraak op wachtgeld krachtens het Rijkswachtgeldbesluit 1959( Stb.319), onverminderd het bepaalde in artikel 5van dat besluit.