BWBR0004616
Geldig vanaf 1989-09-21
Artikel 4
Rechtspositieregeling assistenten in opleiding en akademie-onderzoekers bij de rijksonderzoekinstituten
1. De assistent in opleiding wordt aangesteld in tijdelijke dienst ter verdere wetenschappelijke opleiding en vorming.
2. In de akte van aanstelling legt het bevoegd gezag, in overleg met de toekomstige assistent in opleiding, zo concreet mogelijk de doelstellingen van de aanstelling vast.
3. Ingeval de assistent in opleiding wordt aangesteld ter vervaardiging van een proefschrift dan wel proefontwerp, bedraagt de aanstellingsduur ten hoogste vier jaren dan wel, ingeval toepassing wordt gegeven aan artikel 10, vijfde lid, onder b, ten hoogste twee jaren.
4. Ingeval de assistent in opleiding wordt aangesteld om gedurende een beperkte tijd mee te werken aan een onderzoekproject dan wel ter vervaardiging van een beperkt technologisch ontwerp, bedraagt de aanstellingsduur ten hoogste twee jaren.
5. Uiterlijk een half jaar vóór het verstrijken van de in het derde en vierde lid genoemde termijnen kan, ingeval daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs aanleiding bestaat, worden besloten tot verlenging van de aanstelling met ten hoogste een kwart van de eerste aanstellingsduur.
6. Behoudens het bepaalde in het vijfde lid kan de totale aanstellingsduur van de assistent in opleiding die wordt aangesteld op grond van het vierde lid en aansluitend naar het oordeel van het bevoegd gezag tot vervaardiging van een proefschrift dan wel proefontwerp in staat blijkt te zijn, worden verlengd, waarbij de totale termijn op grond waarvan de assistent in opleiding op grond van het vierde en vervolgens op grond van het derde lid, eerste zinsnede, werkzaam is, de termijn van vier jaar niet mag overschrijden.
7. De aanstelling geschiedt als regel voor de volledige werktijd.
8. Gelijktijdig met de akte van aanstelling ontvangt de assistent in opleiding een exemplaar van:
a. dit besluit;
b. het opleidings- en begeleidingsplan, als bedoeld in artikel 6 van dit besluit.
2. In de akte van aanstelling legt het bevoegd gezag, in overleg met de toekomstige assistent in opleiding, zo concreet mogelijk de doelstellingen van de aanstelling vast.
3. Ingeval de assistent in opleiding wordt aangesteld ter vervaardiging van een proefschrift dan wel proefontwerp, bedraagt de aanstellingsduur ten hoogste vier jaren dan wel, ingeval toepassing wordt gegeven aan artikel 10, vijfde lid, onder b, ten hoogste twee jaren.
4. Ingeval de assistent in opleiding wordt aangesteld om gedurende een beperkte tijd mee te werken aan een onderzoekproject dan wel ter vervaardiging van een beperkt technologisch ontwerp, bedraagt de aanstellingsduur ten hoogste twee jaren.
5. Uiterlijk een half jaar vóór het verstrijken van de in het derde en vierde lid genoemde termijnen kan, ingeval daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag redelijkerwijs aanleiding bestaat, worden besloten tot verlenging van de aanstelling met ten hoogste een kwart van de eerste aanstellingsduur.
6. Behoudens het bepaalde in het vijfde lid kan de totale aanstellingsduur van de assistent in opleiding die wordt aangesteld op grond van het vierde lid en aansluitend naar het oordeel van het bevoegd gezag tot vervaardiging van een proefschrift dan wel proefontwerp in staat blijkt te zijn, worden verlengd, waarbij de totale termijn op grond waarvan de assistent in opleiding op grond van het vierde en vervolgens op grond van het derde lid, eerste zinsnede, werkzaam is, de termijn van vier jaar niet mag overschrijden.
7. De aanstelling geschiedt als regel voor de volledige werktijd.
8. Gelijktijdig met de akte van aanstelling ontvangt de assistent in opleiding een exemplaar van:
a. dit besluit;
b. het opleidings- en begeleidingsplan, als bedoeld in artikel 6 van dit besluit.