BWBR0004259
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 3a
Besluit bekostiging WEC
1. De aanspraak op de verstrekking van bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/124" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 124</a>en <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/131" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">131, eerste lid, van de wet</a>ontstaat met ingang van 1 augustus van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.
2. De aanspraak op de bekostiging voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/128" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 128 van de wet</a>ontstaat met ingang van 1 augustus van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.
3. In afwijking van het eerste lid, ontstaat de aanspraak op bekostiging voor de uitgaven voor 1 lid van het personeel op 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.
4. De in het derde lid bedoelde bekostiging bestaat uit de som van
a. het basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs op 1 oktober voorafgaand aan de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging van de nieuw geopende school begint; en
b. 2/12 van de aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 35, gebaseerd op de daar bedoelde factor 1.
5. Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het vierde lid, bedraagt de formatie 2/12 formatieplaats.
6. Indien een school op 1 oktober van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint geen leerlingen heeft, ontstaat in afwijking van het tweede lid, aanspraak op bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/131" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 131, eerste lid, van de wet</a>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de school een leerling heeft. Indien de eerste volzin van toepassing is, wordt de bekostiging voor het lopende schooljaar en het schooljaar daaropvolgend gebaseerd op het aantal leerlingen dat de school heeft op de eerste dag van de tweede maand volgend op de dag waarop de school de eerste leerling heeft.
7. Indien een school op 1 oktober van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint geen leerlingen heeft, ontstaat in afwijking van het zesde lid, aanspraak op bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/124" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 124</a>en <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/131" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">131, eerste lid, van de wet</a>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de school een leerling heeft. Indien de eerste volzin van toepassing is, wordt de bekostiging voor het lopende schooljaar en het daaropvolgende schooljaar gebaseerd op het aantal leerlingen dat de school heeft op de eerste dag van de tweede maand volgend op de dag waarop de school de eerste leerling heeft.
2. De aanspraak op de bekostiging voor de uitgaven voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/128" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 128 van de wet</a>ontstaat met ingang van 1 augustus van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.
3. In afwijking van het eerste lid, ontstaat de aanspraak op bekostiging voor de uitgaven voor 1 lid van het personeel op 1 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint.
4. De in het derde lid bedoelde bekostiging bestaat uit de som van
a. het basisbedrag, welk bedrag wordt verhoogd met een leeftijdsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren in het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs op 1 oktober voorafgaand aan de eerste kalenderdag van het schooljaar waarin de bekostiging van de nieuw geopende school begint; en
b. 2/12 van de aanvullende bekostiging voor de schoolleiding, bedoeld in artikel 35, gebaseerd op de daar bedoelde factor 1.
5. Voor de berekening van het basisbedrag, bedoeld in het vierde lid, en het leeftijdsbedrag, bedoeld in het vierde lid, bedraagt de formatie 2/12 formatieplaats.
6. Indien een school op 1 oktober van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint geen leerlingen heeft, ontstaat in afwijking van het tweede lid, aanspraak op bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/131" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 131, eerste lid, van de wet</a>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de school een leerling heeft. Indien de eerste volzin van toepassing is, wordt de bekostiging voor het lopende schooljaar en het schooljaar daaropvolgend gebaseerd op het aantal leerlingen dat de school heeft op de eerste dag van de tweede maand volgend op de dag waarop de school de eerste leerling heeft.
7. Indien een school op 1 oktober van het schooljaar waarin de bekostiging van een nieuw geopende school begint geen leerlingen heeft, ontstaat in afwijking van het zesde lid, aanspraak op bekostiging voor de personeelskosten, bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/124" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 124</a>en <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/131" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">131, eerste lid, van de wet</a>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de school een leerling heeft. Indien de eerste volzin van toepassing is, wordt de bekostiging voor het lopende schooljaar en het daaropvolgende schooljaar gebaseerd op het aantal leerlingen dat de school heeft op de eerste dag van de tweede maand volgend op de dag waarop de school de eerste leerling heeft.