BWBR0004259
Geldig vanaf 2016-01-01
Artikel 12a
Besluit bekostiging WEC
1. Onze Minister stelt jaarlijks voor 1 februari de bekostiging voor dat jaar voor de scholen vast, gebaseerd op de grondslag, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/128" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 128, vierde lid, van de wet</a>, met dien verstande dat Onze Minister voor het bepalen van het aantal leerlingen op 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het bekostigingsjaar, de leerlingen in aanmerking neemt van wie het persoonsgebonden nummer tezamen met de basisgegevens, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0042012/artikel/8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet register onderwijsdeelnemers</a>uiterlijk op de daarop volgende 1 december zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0042012/artikel/14" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14 van die wet</a>.
2. Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/157" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 157, vierde lid, van de wet</a>aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast.
3. Het Rijk verstrekt elke maand van het bekostigingsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag een twaalfde gedeelte van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, waarop het over dat jaar recht heeft.
2. Indien de verklaring van de accountant, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/157" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 157, vierde lid, van de wet</a>aanleiding geeft tot wijziging van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, stelt Onze Minister voor 1 oktober de bekostiging voor dat jaar nader vast.
3. Het Rijk verstrekt elke maand van het bekostigingsjaar in verband met de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding aan het bevoegd gezag een twaalfde gedeelte van de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, waarop het over dat jaar recht heeft.