BWBR0004137
Geldig vanaf 1987-07-01
Artikel 4
Besluit geluidhinder spoorwegen
1. Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 3, worden ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de spoorweg waarlangs de zone ligt, van de gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone, de waarden in acht genomen die ingevolge de artikelen 7en 11, eerste, tweede, vijfde en zesde lidals ten hoogste toelaatbaar worden aangemerkt.
2. In afwijking van het eerste lid worden bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan als in dat lid bedoeld hogere waarden in acht genomen, voor zover:
a. gedeputeerde staten met toepassing van artikel 8,9, 10 of 11, derde, vijfde of zesde lid, voor de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan zodanige waarden hebben vastgesteld, dan wel
b. zodanige waarden noodzakelijk zijn als gevolg van een vaststelling of herziening van het plan in afwijking van het ontwerp, zoals dit ter inzage heeft gelegen, welke waarden door gedeputeerde staten redelijkerwijs met toepassing van artikel 8,9, 10, 11, derde, vijfde of zesde lid, zullen worden vastgesteld.
3. Gedeputeerde staten nemen bij hun beslissing over de goedkeuring van een bestemmingsplan of de herziening hiervan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 3, ter zake van de geluidsbelasting vanwege de spoorweg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen en van andere gebouwen dan woningen, alsmede van andere geluidsgevoelige objecten binnen die zone, de waarden in acht, die ingevolge de artikelen 7, 8,9, 10en 11, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.
4. Tenzij bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid wordt voorzien in de wijziging van een spoorweg, gelden het eerste, tweede en derde lid niet, indien op het tijdstip van die vaststelling of herziening de spoorweg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan opgenomen bebouwing en andere geluidsgevoelige objecten die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn.
2. In afwijking van het eerste lid worden bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan als in dat lid bedoeld hogere waarden in acht genomen, voor zover:
a. gedeputeerde staten met toepassing van artikel 8,9, 10 of 11, derde, vijfde of zesde lid, voor de vaststelling of herziening van het bestemmingsplan zodanige waarden hebben vastgesteld, dan wel
b. zodanige waarden noodzakelijk zijn als gevolg van een vaststelling of herziening van het plan in afwijking van het ontwerp, zoals dit ter inzage heeft gelegen, welke waarden door gedeputeerde staten redelijkerwijs met toepassing van artikel 8,9, 10, 11, derde, vijfde of zesde lid, zullen worden vastgesteld.
3. Gedeputeerde staten nemen bij hun beslissing over de goedkeuring van een bestemmingsplan of de herziening hiervan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 3, ter zake van de geluidsbelasting vanwege de spoorweg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen en van andere gebouwen dan woningen, alsmede van andere geluidsgevoelige objecten binnen die zone, de waarden in acht, die ingevolge de artikelen 7, 8,9, 10en 11, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.
4. Tenzij bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid wordt voorzien in de wijziging van een spoorweg, gelden het eerste, tweede en derde lid niet, indien op het tijdstip van die vaststelling of herziening de spoorweg reeds aanwezig of in aanleg is, met betrekking tot de daarbij in het plan opgenomen bebouwing en andere geluidsgevoelige objecten die op dat tijdstip reeds aanwezig of in aanbouw zijn.