BWBR0003892
Geldig vanaf 1986-02-01
Artikel 56
Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Indien in een stuk dat ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde aan Onze Minister, dan wel aan een andere persoon of instelling wordt overgelegd, gegevens voorkomen of uit zodanig stuk gegevens kunnen worden afgeleid, waarvan de geheimhouding met het oog op de bescherming van bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is, besluit Onze Minister op een daartoe strekkend verzoek van degene die het stuk overlegt, dat die gegevens geheim gehouden worden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een kennisgeving als bedoeld in artikel 3van het vervaardigen van een stof en op de stukken die in verband met een zodanige kennisgeving ingevolge artikel 4of 13worden overgelegd.
3. Indien het verzoek een stuk betreft, overgelegd krachtens artikel 4, 13, 14, 15of 16, kan Onze Minister niet besluiten tot geheimhouding van:
a. de naam waaronder een stof of preparaat aan een ander ter beschikking wordt gesteld, alsmede de naam van degene die de stof vervaardigt en van degene die de kennisgeving heeft gedaan;
b. de fysisch-chemische eigenschappen van de stof of het preparaat;
c. de mogelijkheden om de stof of het preparaat onschadelijk te maken;
d. de aanbevolen aanwijzingen voor het gebruik van de stof of het preparaat, de aanbevolen maatregelen om verspreiding van de stof of het preparaat te voorkomen en de aanbevolen noodmaatregelen bij een ongeval met de stof of het preparaat;
e. de naam van degene die het onderzoek, bedoeld in die artikelen, heeft verricht, behoudens indien het betreft een onderzoek naar de fysisch-chemische eigenschappen van de stof of het preparaat;
f. een samenvatting van de resultaten van de toxicologische en ecotoxicologische proeven;
g. indien noodzakelijk voor de indeling en het kenmerken van de stof overeenkomstig de richtlijn: de zuiverheidsgraad van de stof en de identiteit van de onzuiverheden of toevoegingen die behoren tot een of meer van de in artikel 34, tweede lid, bedoelde categorieën;
h. met betrekking tot een stof of een preparaat, behorende tot een van de in artikel 34, tweede lid, genoemde categorieën: 1°. de gegevens vermeld in het inlichtingenblad bedoeld in artikel 27 van de richtlijn;
2°. de analysemethoden waarmee de stof kan worden gevolgd, nadat deze in het milieu is gebracht en waardoor de rechtstreekse blootstelling van de mens aan deze stof kan worden bepaald.
1°. de gegevens vermeld in het inlichtingenblad bedoeld in artikel 27 van de richtlijn;
2°. de analysemethoden waarmee de stof kan worden gevolgd, nadat deze in het milieu is gebracht en waardoor de rechtstreekse blootstelling van de mens aan deze stof kan worden bepaald.
i. indien een stof in het in artikel 18, eerste lid, bedoelde register wordt opgenomen: de in het tweede lid van dat artikel bedoelde gegevens.
4. Een verzoek tot geheimhouding van gegevens met betrekking tot de effecten die een stof of preparaat op mens en milieu kan hebben, wordt geweigerd, indien de verzoeker daarbij niet tevens een tweede tekst overlegt, waarin de geheim te houden gegevens niet voorkomen en waaruit ze niet kunnen worden afgeleid, doch die voldoende inzicht biedt in de effecten van de stof of het preparaat op mens en milieu. De overgelegde tweede tekst behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
5. Op een verzoek om geheimhouding beslist Onze Minister binnen vier weken na ontvangst.
6. Indien een verzoek om geheimhouding geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, laat Onze Minister de bekendmaking van de gegevens waarvan de geheimhouding wordt geweigerd, achterwege, totdat de beslissing op het verzoek onherroepelijk is geworden.
7. Een besluit krachtens het eerste lid vervalt, voor zover de verzoeker, degene die de stof vervaardigt of de importeur gegevens die op grond van dat besluit geheim gehouden worden, zelf openbaar maakt, dan wel voor zover deze gegevens in het kader van de uitvoering van de richtlijn, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen openbaar worden gemaakt. Indien het openbaarmaking door de verzoeker, degene die de stof vervaardigt of de importeur betreft, geeft deze daarvan kennis aan Onze Minister.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op een kennisgeving als bedoeld in artikel 3van het vervaardigen van een stof en op de stukken die in verband met een zodanige kennisgeving ingevolge artikel 4of 13worden overgelegd.
3. Indien het verzoek een stuk betreft, overgelegd krachtens artikel 4, 13, 14, 15of 16, kan Onze Minister niet besluiten tot geheimhouding van:
a. de naam waaronder een stof of preparaat aan een ander ter beschikking wordt gesteld, alsmede de naam van degene die de stof vervaardigt en van degene die de kennisgeving heeft gedaan;
b. de fysisch-chemische eigenschappen van de stof of het preparaat;
c. de mogelijkheden om de stof of het preparaat onschadelijk te maken;
d. de aanbevolen aanwijzingen voor het gebruik van de stof of het preparaat, de aanbevolen maatregelen om verspreiding van de stof of het preparaat te voorkomen en de aanbevolen noodmaatregelen bij een ongeval met de stof of het preparaat;
e. de naam van degene die het onderzoek, bedoeld in die artikelen, heeft verricht, behoudens indien het betreft een onderzoek naar de fysisch-chemische eigenschappen van de stof of het preparaat;
f. een samenvatting van de resultaten van de toxicologische en ecotoxicologische proeven;
g. indien noodzakelijk voor de indeling en het kenmerken van de stof overeenkomstig de richtlijn: de zuiverheidsgraad van de stof en de identiteit van de onzuiverheden of toevoegingen die behoren tot een of meer van de in artikel 34, tweede lid, bedoelde categorieën;
h. met betrekking tot een stof of een preparaat, behorende tot een van de in artikel 34, tweede lid, genoemde categorieën: 1°. de gegevens vermeld in het inlichtingenblad bedoeld in artikel 27 van de richtlijn;
2°. de analysemethoden waarmee de stof kan worden gevolgd, nadat deze in het milieu is gebracht en waardoor de rechtstreekse blootstelling van de mens aan deze stof kan worden bepaald.
1°. de gegevens vermeld in het inlichtingenblad bedoeld in artikel 27 van de richtlijn;
2°. de analysemethoden waarmee de stof kan worden gevolgd, nadat deze in het milieu is gebracht en waardoor de rechtstreekse blootstelling van de mens aan deze stof kan worden bepaald.
i. indien een stof in het in artikel 18, eerste lid, bedoelde register wordt opgenomen: de in het tweede lid van dat artikel bedoelde gegevens.
4. Een verzoek tot geheimhouding van gegevens met betrekking tot de effecten die een stof of preparaat op mens en milieu kan hebben, wordt geweigerd, indien de verzoeker daarbij niet tevens een tweede tekst overlegt, waarin de geheim te houden gegevens niet voorkomen en waaruit ze niet kunnen worden afgeleid, doch die voldoende inzicht biedt in de effecten van de stof of het preparaat op mens en milieu. De overgelegde tweede tekst behoeft de goedkeuring van Onze Minister.
5. Op een verzoek om geheimhouding beslist Onze Minister binnen vier weken na ontvangst.
6. Indien een verzoek om geheimhouding geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, laat Onze Minister de bekendmaking van de gegevens waarvan de geheimhouding wordt geweigerd, achterwege, totdat de beslissing op het verzoek onherroepelijk is geworden.
7. Een besluit krachtens het eerste lid vervalt, voor zover de verzoeker, degene die de stof vervaardigt of de importeur gegevens die op grond van dat besluit geheim gehouden worden, zelf openbaar maakt, dan wel voor zover deze gegevens in het kader van de uitvoering van de richtlijn, door de Commissie van de Europese Gemeenschappen openbaar worden gemaakt. Indien het openbaarmaking door de verzoeker, degene die de stof vervaardigt of de importeur betreft, geeft deze daarvan kennis aan Onze Minister.