BWBR0003892
Geldig vanaf 1986-02-01
Artikel 20
Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Indien degene die beroepshalve stoffen of preparaten vervaardigt, in Nederland invoert, toepast of aan een ander ter beschikking stelt, met betrekking tot een stof of een preparaat nieuwe kennis verkrijgt, waaruit ernstige gevaren voor mens of milieu blijken of redelijkerwijs kunnen worden afgeleid, is hij verplicht, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 13, zodanige kennis zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister te melden.
2. Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid kennis verkrijgt van een belangrijke nieuwe toepassing van een stof of een preparaat, waaruit ernstige gevaren voor mens of milieu blijken of redelijkerwijs kunnen worden afgeleid, is hij verplicht, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 13, zodanige kennis zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister te melden.
3. Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van door hem ontvangen stukken als bedoeld in het eerste en tweede lid aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
4. Met betrekking tot het in het eerste en tweede lid bepaalde kunnen bij algemene maatregelen van bestuur nadere regelen worden gesteld. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid kennis verkrijgt van een belangrijke nieuwe toepassing van een stof of een preparaat, waaruit ernstige gevaren voor mens of milieu blijken of redelijkerwijs kunnen worden afgeleid, is hij verplicht, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 13, zodanige kennis zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze Minister te melden.
3. Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk een exemplaar van door hem ontvangen stukken als bedoeld in het eerste en tweede lid aan Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
4. Met betrekking tot het in het eerste en tweede lid bepaalde kunnen bij algemene maatregelen van bestuur nadere regelen worden gesteld. Artikel 6, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.