BWBR0003892
Geldig vanaf 1986-02-01
Artikel 22
Wet milieugevaarlijke stoffen
1. Onze Minister stelt na overleg met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een lijst vast van stoffen en preparaten die wegens hun mogelijke effecten op mens of milieu in het bijzonder aandacht behoeven.
2. Met betrekking tot de stoffen en preparaten die vermeld zijn op de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt door of vanwege Onze Minister regelmatig onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen, de toepassing en de verspreiding van die stoffen en preparaten in Nederland.
3. Ieder die beroepshalve een stof of een preparaat, vermeld op de in het eerste lid bedoelde lijst, vervaardigt, of die beroepshalve zodanige stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, of preparaat in Nederland invoert, toepast of aan een ander ter beschikking stelt, is verplicht medewerking te verlenen aan het in het tweede lid bedoelde onderzoek.
4. Onze Minister stelt de in het eerste lid bedoelde lijst niet vast dan nadat van het ontwerp van die lijst mededeling is gedaan in de <em>Staatscourant</em>en aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen twaalf weken na die mededeling zijn zienswijze kenbaar te maken aan Onze Minister.
5. De in het eerste lid bedoelde lijst wordt ten minste een maal per jaar herzien. Met betrekking tot de herziening is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.
2. Met betrekking tot de stoffen en preparaten die vermeld zijn op de in het eerste lid bedoelde lijst, wordt door of vanwege Onze Minister regelmatig onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen, de toepassing en de verspreiding van die stoffen en preparaten in Nederland.
3. Ieder die beroepshalve een stof of een preparaat, vermeld op de in het eerste lid bedoelde lijst, vervaardigt, of die beroepshalve zodanige stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, of preparaat in Nederland invoert, toepast of aan een ander ter beschikking stelt, is verplicht medewerking te verlenen aan het in het tweede lid bedoelde onderzoek.
4. Onze Minister stelt de in het eerste lid bedoelde lijst niet vast dan nadat van het ontwerp van die lijst mededeling is gedaan in de <em>Staatscourant</em>en aan een ieder de gelegenheid is geboden binnen twaalf weken na die mededeling zijn zienswijze kenbaar te maken aan Onze Minister.
5. De in het eerste lid bedoelde lijst wordt ten minste een maal per jaar herzien. Met betrekking tot de herziening is het vierde lid van overeenkomstige toepassing.