BWBR0003871
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 7
Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren
1. Indien een rechterlijk ambtenaar in opleiding voor zijn benoeming reeds meer dan een jaar ervaring in de rechtspraktijk of andere naar het oordeel van Onze Minister relevante ervaring heeft verworven, kan Onze Minister de opleiding bekorten met ten hoogste de duur van die ervaring, voor zover die meer dan een jaar bedraagt, doch niet met meer dan drie jaar.
2. Onze Minister kan de opleiding verlengen
a. indien de periode, waarvoor de benoeming in tijdelijke dienst van een rechterlijk ambtenaar in opleiding is verleend, ingevolge artikel 21, derde lid, onderdelen a en b, is verlengd: met ten hoogste eenzelfde periode;
b. indien de volledige arbeidsduur van een rechterlijk ambtenaar in opleiding op zijn eigen verzoek is gewijzigd in een niet volledige arbeidsduur dan wel zijn arbeidsduur op zijn eigen verzoek anderszins is gewijzigd: met ten hoogste een jaar;
c. in andere gevallen, indien Onze Minister zulks, met het oog op het met gunstig resultaat beëindigen van de opleiding, nodig oordeelt: met ten hoogste een jaar.
De verlenging op grond van de onderdelen a tot en met c gezamenlijk kan niet meer dan drie jaar bedragen en heeft in beginsel slechts betrekking op de binnenstage.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bepaalt Onze Minister op welke onderdelen van de opleiding de bekorting of de verlenging betrekking heeft en in welke volgorde de binnenstage en buitenstage worden doorlopen. De laatste volzin van artikel 3, vierde lid, is van toepassing.
4. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden het werkprogramma en het studieprogramma aangepast en vastgesteld overeenkomstig artikel 5, eerste en tweede lid.
2. Onze Minister kan de opleiding verlengen
a. indien de periode, waarvoor de benoeming in tijdelijke dienst van een rechterlijk ambtenaar in opleiding is verleend, ingevolge artikel 21, derde lid, onderdelen a en b, is verlengd: met ten hoogste eenzelfde periode;
b. indien de volledige arbeidsduur van een rechterlijk ambtenaar in opleiding op zijn eigen verzoek is gewijzigd in een niet volledige arbeidsduur dan wel zijn arbeidsduur op zijn eigen verzoek anderszins is gewijzigd: met ten hoogste een jaar;
c. in andere gevallen, indien Onze Minister zulks, met het oog op het met gunstig resultaat beëindigen van de opleiding, nodig oordeelt: met ten hoogste een jaar.
De verlenging op grond van de onderdelen a tot en met c gezamenlijk kan niet meer dan drie jaar bedragen en heeft in beginsel slechts betrekking op de binnenstage.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, bepaalt Onze Minister op welke onderdelen van de opleiding de bekorting of de verlenging betrekking heeft en in welke volgorde de binnenstage en buitenstage worden doorlopen. De laatste volzin van artikel 3, vierde lid, is van toepassing.
4. In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden het werkprogramma en het studieprogramma aangepast en vastgesteld overeenkomstig artikel 5, eerste en tweede lid.