BWBR0003871
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 5
Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren
1. Bij de aanvang van de binnenstage stelt de functionele autoriteit na overleg met de betrokkene en in overeenstemming met de rector voor elke rechterlijk ambtenaar in opleiding afzonderlijk een werkprogramma vast, aangevende:
a. met welke werkzaamheden de rechterlijk ambtenaar in opleiding zal worden belast;
b. welke deelstages de rechterlijk ambtenaar in opleiding zal moeten volgen.
Zoveel mogelijk worden daarbij tijdstippen en perioden vermeld.
2. Jaarlijks stelt de rector na overleg met de betrokkene en in overeenstemming met de functionele autoriteit voor elke rechterlijk ambtenaar in opleiding afzonderlijk een studieprogramma vast, aangevende welke vaardigheidsleergangen en studiebijeenkomsten de rechterlijk ambtenaar in opleiding zal volgen. Zoveel mogelijk worden daarbij tijdstippen en perioden vermeld.
3. De functionele autoriteit, respectievelijk de rector, draagt er zorg voor dat aan het werkprogramma, respectievelijk het studieprogramma, de hand wordt gehouden.
4. De functionele autoriteit wijst voor de begeleiding van de rechterlijk ambtenaar in opleiding tijdens de deelstages, in overeenstemming met de rector, een mentor aan.
5. Bij verschil van opvatting tussen de functionele autoriteit en de rector over de inhoud van het werkprogramma en het studieprogramma, over de uitvoering van deze programma's en over het aanwijzen van een mentor, beslist Onze Minister.
a. met welke werkzaamheden de rechterlijk ambtenaar in opleiding zal worden belast;
b. welke deelstages de rechterlijk ambtenaar in opleiding zal moeten volgen.
Zoveel mogelijk worden daarbij tijdstippen en perioden vermeld.
2. Jaarlijks stelt de rector na overleg met de betrokkene en in overeenstemming met de functionele autoriteit voor elke rechterlijk ambtenaar in opleiding afzonderlijk een studieprogramma vast, aangevende welke vaardigheidsleergangen en studiebijeenkomsten de rechterlijk ambtenaar in opleiding zal volgen. Zoveel mogelijk worden daarbij tijdstippen en perioden vermeld.
3. De functionele autoriteit, respectievelijk de rector, draagt er zorg voor dat aan het werkprogramma, respectievelijk het studieprogramma, de hand wordt gehouden.
4. De functionele autoriteit wijst voor de begeleiding van de rechterlijk ambtenaar in opleiding tijdens de deelstages, in overeenstemming met de rector, een mentor aan.
5. Bij verschil van opvatting tussen de functionele autoriteit en de rector over de inhoud van het werkprogramma en het studieprogramma, over de uitvoering van deze programma's en over het aanwijzen van een mentor, beslist Onze Minister.