BWBR0003871
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 21
Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren
1. Degene, die is toegelaten tot de opleiding, wordt door Onze Minister benoemd als rechterlijk ambtenaar in opleiding in tijdelijke dienst bij de gerechten voor de duur van drie jaar en twee maanden. Onze Minister stelt tevens vast bij welke rechtbank en welk tot het openbaar ministerie behorend parket de rechterlijk ambtenaar in opleiding zijn ambt gedurende deze periode vervult.
2. Onze Minister kan in het kader van een reorganisatie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0006530" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 4A van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>de vaststelling van de rechtbank of het tot het openbaar ministerie behorend parket waarbij een rechterlijk ambtenaar in opleiding zijn ambt vervult wijzigen.
3. Onze Minister kan, de functionele autoriteit en de rector gehoord, de periode waarvoor een benoeming in tijdelijke dienst is verleend verlengen:
a. indien een rechterlijk ambtenaar in opleiding dit verzoekt en naar het oordeel van Onze Minister voortzetting van de opleiding nog zinvol kan zijn: met ten hoogste één jaar;
b. indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister redenen aanwezig zijn: met de periode gedurende welke de rechterlijk ambtenaar in opleiding geheel of gedeeltelijk geen werkzaamheden heeft verricht;
c. indien de opleiding, ingevolge artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, is verlengd: per grond met ten hoogste een jaar.
4. Indien de opleiding met toepassing van artikel 7, eerste lid, is bekort, kan Onze Minister, na overleg met de rector, de duur van de benoeming in tijdelijke dienst bepalen op een periode korter dan drie jaar, doch niet korter dan twee jaar. Ten aanzien van de verlenging van een verkorte benoeming in tijdelijke dienst is het derde lid van overeenkomstige toepassing.
2. Onze Minister kan in het kader van een reorganisatie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0006530" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 4A van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren</a>de vaststelling van de rechtbank of het tot het openbaar ministerie behorend parket waarbij een rechterlijk ambtenaar in opleiding zijn ambt vervult wijzigen.
3. Onze Minister kan, de functionele autoriteit en de rector gehoord, de periode waarvoor een benoeming in tijdelijke dienst is verleend verlengen:
a. indien een rechterlijk ambtenaar in opleiding dit verzoekt en naar het oordeel van Onze Minister voortzetting van de opleiding nog zinvol kan zijn: met ten hoogste één jaar;
b. indien daarvoor naar het oordeel van Onze Minister redenen aanwezig zijn: met de periode gedurende welke de rechterlijk ambtenaar in opleiding geheel of gedeeltelijk geen werkzaamheden heeft verricht;
c. indien de opleiding, ingevolge artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, is verlengd: per grond met ten hoogste een jaar.
4. Indien de opleiding met toepassing van artikel 7, eerste lid, is bekort, kan Onze Minister, na overleg met de rector, de duur van de benoeming in tijdelijke dienst bepalen op een periode korter dan drie jaar, doch niet korter dan twee jaar. Ten aanzien van de verlenging van een verkorte benoeming in tijdelijke dienst is het derde lid van overeenkomstige toepassing.