BWBR0003264
Geldig vanaf 1979-10-01
Artikel 3
I.M.B. 1979
1. Indien in brak of zout water wordt gemeten, dient de ledige diepgang te worden gecorrigeerd.
Het soortelijk gewicht van het water dient in het meetboekje vermeld te worden.
2. Alvorens tot de meting over te gaan, overtuigt de ambtenaar van de divisie Scheepvaart zich, dat alles wat zich volgens artikel 4 van het Besluitaan boord moet bevinden, ook werkelijk aanwezig is.
3. De ambtenaren van de divisie Scheepvaart moeten zich voortdurend op de hoogte houden van hetgeen voor de volledige uitrusting van elk soort van vaartuigen nodig is, zoals de hoeveelheden zeilen, touwen, kettingen, ankers, provisiën, enz. en van het aantal leden van de bemanning. Ten aanzien van het water in stoomketels van schepen zonder voortstuwingswerktuig zoals drijvende kranen, bokken, elevators, enz. wordt aangenomen, dat dit behoort tot de uitrusting van het vaartuig. Is de uitrusting niet volledig, dan moet zij, voordat met de meting wordt begonnen, worden aangevuld.
4. Voorwerpen en goederen, niet behorend tot die, welke volgens artikel 4 van het Besluitaanwezig moeten zijn, met name brandstof voor het voortstuwingswerktuig, of voor andere werktuigen of ketels, verplaatsbare ballast en lading, mogen zich niet aan boord bevinden.
5. Het schip moet voor de meting behoorlijk schoon zijn; op de bodem mag geen water aanwezig zijn.
6. Het vaartuig moet gedurende de meting zoveel mogelijk dwarsscheeps horizontaal en stilliggen.
7. Zolang aan de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde voorwaarden niet is voldaan, dient de meting te worden geweigerd.
Het soortelijk gewicht van het water dient in het meetboekje vermeld te worden.
2. Alvorens tot de meting over te gaan, overtuigt de ambtenaar van de divisie Scheepvaart zich, dat alles wat zich volgens artikel 4 van het Besluitaan boord moet bevinden, ook werkelijk aanwezig is.
3. De ambtenaren van de divisie Scheepvaart moeten zich voortdurend op de hoogte houden van hetgeen voor de volledige uitrusting van elk soort van vaartuigen nodig is, zoals de hoeveelheden zeilen, touwen, kettingen, ankers, provisiën, enz. en van het aantal leden van de bemanning. Ten aanzien van het water in stoomketels van schepen zonder voortstuwingswerktuig zoals drijvende kranen, bokken, elevators, enz. wordt aangenomen, dat dit behoort tot de uitrusting van het vaartuig. Is de uitrusting niet volledig, dan moet zij, voordat met de meting wordt begonnen, worden aangevuld.
4. Voorwerpen en goederen, niet behorend tot die, welke volgens artikel 4 van het Besluitaanwezig moeten zijn, met name brandstof voor het voortstuwingswerktuig, of voor andere werktuigen of ketels, verplaatsbare ballast en lading, mogen zich niet aan boord bevinden.
5. Het schip moet voor de meting behoorlijk schoon zijn; op de bodem mag geen water aanwezig zijn.
6. Het vaartuig moet gedurende de meting zoveel mogelijk dwarsscheeps horizontaal en stilliggen.
7. Zolang aan de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde voorwaarden niet is voldaan, dient de meting te worden geweigerd.