BWBR0003264
Geldig vanaf 1979-10-01
Artikel 16
I.M.B. 1979
1. Voor deze vaartuigen mag de lastlijn niet lager worden vastgesteld dan die, welke werkelijk wordt bereikt indien bij het volledig uitgeruste schip de bemanning alsmede de brandstoffen en watervoorraden volledig aan boord zijn.
Voor deze voorraden moet worden uitgegaan van de totale capaciteit van de brandstoftanks, en die van de watertanks (waterballast inbegrepen).
Voor schepen gebezigd als middel tot vervoer van personen, waarvoor geen veiligheidslijn behoort te worden vastgesteld, moet daarbij tevens worden gerekend op het gewicht van het aantal passagiers, dat in verband met plaatselijke verordeningen aan boord mag worden toegelaten, met inbegrip van dat van de bagage en de proviand bestemd voor deze passagiers.
Bij hefwerktuigen dient het hefvermogen te worden meegerekend.
2. Het vrijboord mag evenwel nimmer kleiner worden dan de waarde die uit de voorschriften van artikel 5 van het Besluitvolgt.
3. Graanelevators, kraanpontons, kolentransporteurs, baggermolens, zuigers, hijsbok- en hijskraanpontons en dergelijke vaartuigen, zonder ruimtevoor het innemen en vervoeren van lading, worden beschouwd als vaartuigen bedoeld in het tweede lid van artikel 4, tenzij deze vaartuigen ingericht of bestemd zijn om lading aan dek te vervoeren.
Veerboten en veerponten, waarmede behalve passagiers ook al of niet met goederen beladen voertuigen worden overgebracht en schepen waarin of waarop goederen worden opgeslagen, worden beschouwd als vaartuigen bedoeld in het eerste lid van artikel 4.
Voor deze voorraden moet worden uitgegaan van de totale capaciteit van de brandstoftanks, en die van de watertanks (waterballast inbegrepen).
Voor schepen gebezigd als middel tot vervoer van personen, waarvoor geen veiligheidslijn behoort te worden vastgesteld, moet daarbij tevens worden gerekend op het gewicht van het aantal passagiers, dat in verband met plaatselijke verordeningen aan boord mag worden toegelaten, met inbegrip van dat van de bagage en de proviand bestemd voor deze passagiers.
Bij hefwerktuigen dient het hefvermogen te worden meegerekend.
2. Het vrijboord mag evenwel nimmer kleiner worden dan de waarde die uit de voorschriften van artikel 5 van het Besluitvolgt.
3. Graanelevators, kraanpontons, kolentransporteurs, baggermolens, zuigers, hijsbok- en hijskraanpontons en dergelijke vaartuigen, zonder ruimtevoor het innemen en vervoeren van lading, worden beschouwd als vaartuigen bedoeld in het tweede lid van artikel 4, tenzij deze vaartuigen ingericht of bestemd zijn om lading aan dek te vervoeren.
Veerboten en veerponten, waarmede behalve passagiers ook al of niet met goederen beladen voertuigen worden overgebracht en schepen waarin of waarop goederen worden opgeslagen, worden beschouwd als vaartuigen bedoeld in het eerste lid van artikel 4.