BWBR0003264
Geldig vanaf 1979-10-01
Artikel 18
I.M.B. 1979
1. Bij de hier bedoelde vaartuigen, wordt het te meten gedeelte van de scheepsromp d.i. het gedeelte tussen de lastlijn en het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, verdeeld in ten minste drie delen, namelijk het voorschip, het middenschip en het achterschip. Die verdeling geschiedt door verticale vlakken loodrecht op het vlak van inzinking van het ledige vaartuig zodanig genomen als in verband met de bouw van het schip naar het oordeel van de ambtenaar van de divisie Scheepvaart de meest nauwkeurige uitkomst moet geven.
Bij schepen met een overhellend voor- en achterschip wordt het boeg- en/of hekdeel afzonderlijk gemeten.
2. Het te meten gedeelte wordt daarna, te beginnen met het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, door vlakken verdeeld in schijven van gemiddeld één decimeter hoogte, met dien verstande, dat de bovenste schijf een andere gemiddelde hoogte kan hebben. Bij schepen, waarvan de vlakken van ledige en van grootste toegelaten diepgang niet evenwijdig lopen, en waarbij de hoogte dus niet overal dezelfde is, wordt als hoogte (laadhoogte) tussen beide diepgangen genomen het gemiddelde van de laadhoogten, die ter plaatse van de ijkmerken zijn opgenomen.
De plaats der ijkmerken wordt zo nodig gecorrigeerd in verband met de ligging van het zwaartepunt van de waterlijn gelegen op de halve laadhoogte, op een wijze die door het Hoofd van de Scheepsmetingdienst zal worden bepaald. De vlakken worden verder als horizontale vlakken aangeduid.
3. Figuur 4 in de bijlagedient ter verduidelijking van het volgende.
4. In elk horizontaal vlak worden loodrecht op de lengte-as van het schip ten minste de volgende wijdten gemeten:
Vijf in het voorschip en wel een aan elk der uiteinden en op ¼ op ½ en op ¾ der lengte Lv (V1 t/m V5);
Drie in het middenschip en wel op ¼, op ½ en op ¾ der lengte Lm (M2, M3 en M4);
Vijf in het achterschip en wel een aan elk der uiteinden en op ¼, op ½ en op ¾ der lengte La (A1 t/m A5).
5. Daar het gebruik van de regel van Simpson een voldoende nauwkeurigheid waarborgt is het in het algemeen, ook bij lange schepen, niet nodig in het middenschip meer dan drie wijdten te meten.
Mocht het bij uitzondering wenselijk geacht worden, dan kunnen ook in dit gedeelte vijf wijdten gemeten worden, welke alle op onderlinge gelijke delen der lengte van het middenschip genomen worden (M2 t/m M6).
6. Volgens de regel van Simpson wordt de oppervlakte van elk horizontaal vlak gevonden door toepassing van de volgende formules:
I. Indien in het middenschip drie wijdten gemeten zijn: Oppervlakte = 1/12 Lv × (V1 + 4V2 + 2V3 + 1V4 + V5) + 1/12 Lm × (M1 + 4M2 + 2M3 + 4M4 + M5) + 1/12 La × (A1 + 4A2 + 2A3 + 4A4 + A5);
II. Indien in het middenschip vijf wijdten gemeten zijn: Oppervlakte = 1/12 Lv × (V1 + 4V2 + 2V3 + 4V4 + V5) + 1/18 Lm × (M1 + 4M2 + 2M3 + 4M4 + 2M5 + 4M6 + M7) + 1/12 La × (A1 + 4A2 + 2A3 + 4A4 + A5).
7. Wanneer de ambtenaar van de divisie Scheepvaart het nodig oordeelt, kan hij het voor-, midden- of achterschip in een groter aantal vlakken verdelen. In dat geval moet de verdeling zodanig plaatsvinden, dat elk gedeelte een even aantal vlakken van onderling gelijke lengte bevat.
8. Is de scheepsvorm aan áán der uiteinden zodanig, dat de ambtenaar van de divisie Scheepvaart het wenselijk acht dit gedeelte afzonderlijk te meten, dan moet hij ook hiervoor de regel van Simpson toepassen, tenzij het te meten vlak door rechte lijnen is begrensd in welk geval de trapeziumregel mag worden toegepast.
9. De aldus bepaalde oppervlakte van het uiteinde van elk horizontaal vlak wordt opgeteld bij de oppervlakte, als bepaald is volgens het zesde lid, onder I of II van dit artikel.
10. Duidt men de vlakken te beginnen van ondéren, aan door letters A, B, enz., dan is de inhoud van:
[tabel]
[tabel]
waarin h de hoogte van de schijf voorstelt: welke hoogte behalve in de bovenste schijf, steeds één decimeter is. De hoogte van de bovenste schijf kan worden bepaald met een nauwkeurigheid van tiende delen van een centimeter.
11. In iedere schijf wordt een verplaatsing voor elke centimeter inzinking verkregen door de inhoud van de schijf te delen door haar hoogte, uitgedrukt in centimeters.
12. De som van de inhouden der schijven wijst de totale verplaatsing aan.
13. De afmetingen worden zoveel mogelijk buitenwerks genomen.
Bij schepen met een overhellend voor- en achterschip wordt het boeg- en/of hekdeel afzonderlijk gemeten.
2. Het te meten gedeelte wordt daarna, te beginnen met het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, door vlakken verdeeld in schijven van gemiddeld één decimeter hoogte, met dien verstande, dat de bovenste schijf een andere gemiddelde hoogte kan hebben. Bij schepen, waarvan de vlakken van ledige en van grootste toegelaten diepgang niet evenwijdig lopen, en waarbij de hoogte dus niet overal dezelfde is, wordt als hoogte (laadhoogte) tussen beide diepgangen genomen het gemiddelde van de laadhoogten, die ter plaatse van de ijkmerken zijn opgenomen.
De plaats der ijkmerken wordt zo nodig gecorrigeerd in verband met de ligging van het zwaartepunt van de waterlijn gelegen op de halve laadhoogte, op een wijze die door het Hoofd van de Scheepsmetingdienst zal worden bepaald. De vlakken worden verder als horizontale vlakken aangeduid.
3. Figuur 4 in de bijlagedient ter verduidelijking van het volgende.
4. In elk horizontaal vlak worden loodrecht op de lengte-as van het schip ten minste de volgende wijdten gemeten:
Vijf in het voorschip en wel een aan elk der uiteinden en op ¼ op ½ en op ¾ der lengte Lv (V1 t/m V5);
Drie in het middenschip en wel op ¼, op ½ en op ¾ der lengte Lm (M2, M3 en M4);
Vijf in het achterschip en wel een aan elk der uiteinden en op ¼, op ½ en op ¾ der lengte La (A1 t/m A5).
5. Daar het gebruik van de regel van Simpson een voldoende nauwkeurigheid waarborgt is het in het algemeen, ook bij lange schepen, niet nodig in het middenschip meer dan drie wijdten te meten.
Mocht het bij uitzondering wenselijk geacht worden, dan kunnen ook in dit gedeelte vijf wijdten gemeten worden, welke alle op onderlinge gelijke delen der lengte van het middenschip genomen worden (M2 t/m M6).
6. Volgens de regel van Simpson wordt de oppervlakte van elk horizontaal vlak gevonden door toepassing van de volgende formules:
I. Indien in het middenschip drie wijdten gemeten zijn: Oppervlakte = 1/12 Lv × (V1 + 4V2 + 2V3 + 1V4 + V5) + 1/12 Lm × (M1 + 4M2 + 2M3 + 4M4 + M5) + 1/12 La × (A1 + 4A2 + 2A3 + 4A4 + A5);
II. Indien in het middenschip vijf wijdten gemeten zijn: Oppervlakte = 1/12 Lv × (V1 + 4V2 + 2V3 + 4V4 + V5) + 1/18 Lm × (M1 + 4M2 + 2M3 + 4M4 + 2M5 + 4M6 + M7) + 1/12 La × (A1 + 4A2 + 2A3 + 4A4 + A5).
7. Wanneer de ambtenaar van de divisie Scheepvaart het nodig oordeelt, kan hij het voor-, midden- of achterschip in een groter aantal vlakken verdelen. In dat geval moet de verdeling zodanig plaatsvinden, dat elk gedeelte een even aantal vlakken van onderling gelijke lengte bevat.
8. Is de scheepsvorm aan áán der uiteinden zodanig, dat de ambtenaar van de divisie Scheepvaart het wenselijk acht dit gedeelte afzonderlijk te meten, dan moet hij ook hiervoor de regel van Simpson toepassen, tenzij het te meten vlak door rechte lijnen is begrensd in welk geval de trapeziumregel mag worden toegepast.
9. De aldus bepaalde oppervlakte van het uiteinde van elk horizontaal vlak wordt opgeteld bij de oppervlakte, als bepaald is volgens het zesde lid, onder I of II van dit artikel.
10. Duidt men de vlakken te beginnen van ondéren, aan door letters A, B, enz., dan is de inhoud van:
[tabel]
[tabel]
waarin h de hoogte van de schijf voorstelt: welke hoogte behalve in de bovenste schijf, steeds één decimeter is. De hoogte van de bovenste schijf kan worden bepaald met een nauwkeurigheid van tiende delen van een centimeter.
11. In iedere schijf wordt een verplaatsing voor elke centimeter inzinking verkregen door de inhoud van de schijf te delen door haar hoogte, uitgedrukt in centimeters.
12. De som van de inhouden der schijven wijst de totale verplaatsing aan.
13. De afmetingen worden zoveel mogelijk buitenwerks genomen.