BWBR0003264
Geldig vanaf 1979-10-01
Artikel 15
I.M.B. 1979
1. Een stringerhoekstraal, dienende om het dek of gangboord met de zijbeplating van een vaartuig te verbinden, mag voor de bepaling van de lastlijn niet als dek of als gangboord worden aangemerkt;
de verschansing of het boeisel blijft eveneens buiten beschouwing. Cement of een andere dekbedekking van bitumineuze of soortgelijke samenstelling mag evenmin als dek of gangboord worden aangemerkt.
2a. Indien deugdelijke lichtranden of patrijspoorten in het boord zijn aangebracht, wordt de lastlijn niet hoger genomen dan 10 cm beneden het vlak van de onderkant van de glazen van lichtranden of 30 centimeter beneden het vlak van de onderkant van de dagopeningen van patrijspoorten.
2b. Als patrijspoorten of lichtranden behoren alleen te worden aangemerkt die openingen in de wanden van het schip, welke in verband met de bouw en de bestemming van het vaartuig noodzakelijk zijn te achten voor de toetreding van licht en lucht. Mocht de ambtenaar van de divisie Scheepvaart menen, dat in enig vaartuig openingen zijn aangebracht met de kennelijke bedoeling een kleinere verplaatsing te krijgen, dan behoort hij met betrekking tot de vaststelling van de lastlijn instructie te vragen aan de inspecteur-generaal, onder overlegging van een duidelijke situatieschets met alle nodige bijzonderheden.
3. Kleine openingen in het dek, of in een luikhoofdplaat, die in voldoende mate tegen het binnendringen van water kunnen worden afgesloten, zoals openingen voor het doorlaten van middelen tot het behandelen van de mast, pompkokeropeningen, vulopeningen, mangaten en dergelijke, worden bij het vaststellen van de lastlijn niet in aanmerking genomen.
4. De inspecteur-generaal is gemachtigd in bijzondere gevallen de lastlijn hoger of lager vast te stellen, doch nimmer hoger dan de bovenkant van het dek op het laagste gedeelte van het schip.
de verschansing of het boeisel blijft eveneens buiten beschouwing. Cement of een andere dekbedekking van bitumineuze of soortgelijke samenstelling mag evenmin als dek of gangboord worden aangemerkt.
2a. Indien deugdelijke lichtranden of patrijspoorten in het boord zijn aangebracht, wordt de lastlijn niet hoger genomen dan 10 cm beneden het vlak van de onderkant van de glazen van lichtranden of 30 centimeter beneden het vlak van de onderkant van de dagopeningen van patrijspoorten.
2b. Als patrijspoorten of lichtranden behoren alleen te worden aangemerkt die openingen in de wanden van het schip, welke in verband met de bouw en de bestemming van het vaartuig noodzakelijk zijn te achten voor de toetreding van licht en lucht. Mocht de ambtenaar van de divisie Scheepvaart menen, dat in enig vaartuig openingen zijn aangebracht met de kennelijke bedoeling een kleinere verplaatsing te krijgen, dan behoort hij met betrekking tot de vaststelling van de lastlijn instructie te vragen aan de inspecteur-generaal, onder overlegging van een duidelijke situatieschets met alle nodige bijzonderheden.
3. Kleine openingen in het dek, of in een luikhoofdplaat, die in voldoende mate tegen het binnendringen van water kunnen worden afgesloten, zoals openingen voor het doorlaten van middelen tot het behandelen van de mast, pompkokeropeningen, vulopeningen, mangaten en dergelijke, worden bij het vaststellen van de lastlijn niet in aanmerking genomen.
4. De inspecteur-generaal is gemachtigd in bijzondere gevallen de lastlijn hoger of lager vast te stellen, doch nimmer hoger dan de bovenkant van het dek op het laagste gedeelte van het schip.