BWBR0003264
Geldig vanaf 1979-10-01
Artikel 19
I.M.B. 1979
1. Nadat de lengte (l 1) van het vlak van ledige inzinking van het volledig uitgeruste schip is bepaald, wordt op de helft van deze lengte de diepgang (d 1)vastgesteld, alsmede de maximum breedte (b 1) in dit vlak van inzinking (zie fig. 5 Bijlage).
Daarna wordt de lengte van de waterlijn in genoemd vlak in 6 à 8 delen verdeeld en de breedten op de deelpunten bepaald. Bij een geknikte vorm van de waterlijn dient de lengte op het knikpunt eerst in delen verdeeld te worden en de aldus ontstane delen op de omschreven wijze te worden gemeten.
Bij het berekenen van het waterlijn-oppervlak (O) dient de regel van Simpson te worden gebruikt.
Hierna wordt de volheidscoëfficient (c) van de waterlijn bepaald met
[tabel]
De blokcoëfficiënt (c1) van het ledige vaartuig wordt bij benadering bepaald uit de formule c 1= c √c.
De waterverplaatsing (V 1) van het ledige vaartuig wordt daarna als volgt gevonden: V 1= I 1× b 1× d 1× c 1.
De waterverplaatsing (V 2) tot de lastlijn is gelijk aan V 1vermeerderd met het totale gewicht van de belading (B), als omschreven in artikel 16.
V 2= V 1+ B (Meetbrief rubriek 34). De laadhoogte (h) wordt gevonden uit
[tabel]
Daaruit volgt de diepgang (d 2) tot de lastlijn d 2= d 1+ h.
Deze diepgang mag evenwel niet groterzijn dan de toelaatbare diepgang verkregen bij toepassing van artikel 5.
Indien deze diepgang (d 2) kleineris dan de toelaatbare diepgang, verkregen bij toepassing van artikel 5, volgt de waterverplaatsing tot de lastlijn uit de formule V 2= V 1+ h × O (Meetbrief rubriek 34).
In zodanig geval, waarbij de lastlijn lager geplaatst is dan bij toepassing van artikel 5het geval zou zijn dient belanghebbende overeenkomstig het vierde lid van artikel 5 van het Besluit, het lager plaatsen van de lastlijn, schriftelijk te verzoeken.
De waterverplaating tussen de vlakken van ledige en beladen diepgang bedraagt: V 3= h × O (Meetbrief rubriek 36).
2. Voor vaartuigen met een rechthoekige vorm zoals baggermolens, woonschepen en dergelijke, kunnen de waterverplaatsingen op eenvoudiger wijze gevonden worden.
Hierbij dient evenwel rekening gehouden te worden met eventuele afrondingen van de romp, oplopende gedeelten van het vlak en een open bun.
3. Bij deze schepen worden geen opvolgende waterverplaatsingen per centimeter inzinking tussen het vlak van inzinking van het ledige vaartuig en de lastlijn bepaald, terwijl zij in verband daarmede ook niet van ijkschalen worden voorzien.
Daarna wordt de lengte van de waterlijn in genoemd vlak in 6 à 8 delen verdeeld en de breedten op de deelpunten bepaald. Bij een geknikte vorm van de waterlijn dient de lengte op het knikpunt eerst in delen verdeeld te worden en de aldus ontstane delen op de omschreven wijze te worden gemeten.
Bij het berekenen van het waterlijn-oppervlak (O) dient de regel van Simpson te worden gebruikt.
Hierna wordt de volheidscoëfficient (c) van de waterlijn bepaald met
[tabel]
De blokcoëfficiënt (c1) van het ledige vaartuig wordt bij benadering bepaald uit de formule c 1= c √c.
De waterverplaatsing (V 1) van het ledige vaartuig wordt daarna als volgt gevonden: V 1= I 1× b 1× d 1× c 1.
De waterverplaatsing (V 2) tot de lastlijn is gelijk aan V 1vermeerderd met het totale gewicht van de belading (B), als omschreven in artikel 16.
V 2= V 1+ B (Meetbrief rubriek 34). De laadhoogte (h) wordt gevonden uit
[tabel]
Daaruit volgt de diepgang (d 2) tot de lastlijn d 2= d 1+ h.
Deze diepgang mag evenwel niet groterzijn dan de toelaatbare diepgang verkregen bij toepassing van artikel 5.
Indien deze diepgang (d 2) kleineris dan de toelaatbare diepgang, verkregen bij toepassing van artikel 5, volgt de waterverplaatsing tot de lastlijn uit de formule V 2= V 1+ h × O (Meetbrief rubriek 34).
In zodanig geval, waarbij de lastlijn lager geplaatst is dan bij toepassing van artikel 5het geval zou zijn dient belanghebbende overeenkomstig het vierde lid van artikel 5 van het Besluit, het lager plaatsen van de lastlijn, schriftelijk te verzoeken.
De waterverplaating tussen de vlakken van ledige en beladen diepgang bedraagt: V 3= h × O (Meetbrief rubriek 36).
2. Voor vaartuigen met een rechthoekige vorm zoals baggermolens, woonschepen en dergelijke, kunnen de waterverplaatsingen op eenvoudiger wijze gevonden worden.
Hierbij dient evenwel rekening gehouden te worden met eventuele afrondingen van de romp, oplopende gedeelten van het vlak en een open bun.
3. Bij deze schepen worden geen opvolgende waterverplaatsingen per centimeter inzinking tussen het vlak van inzinking van het ledige vaartuig en de lastlijn bepaald, terwijl zij in verband daarmede ook niet van ijkschalen worden voorzien.