BWBR0002471
Geldig vanaf 2011-12-22
Artikel 38p
Wet op de loonbelasting 1964
1. Een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in artikel 38n, tweede lid, onderdeel b, zoals dat artikel luidde op 31 december 2019, wordt jaarlijks verhoogd met een bij ministeriële regeling bepaalde marktrente, en kan geruisloos worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.125" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>of een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.126a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.126a van die wet</a>dan wel overeenkomstig de in het tweede en derde lid opgenomen voorwaarden in termijnen worden uitgekeerd.
2. Voor zover een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid niet is aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.125" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>of een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.126a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.126a van die wet</a>, wordt de waarde van deze aanspraak in een periode van twintig jaar in termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar uitgekeerd als loon uit vroegere dienstbetrekking, waarbij het in een jaar uit te keren bedrag gelijk is aan de stand van de oudedagsverplichting aan het begin van dat jaar gedeeld door het aantal op dat tijdstip nog resterende uitkeringsjaren. Voorts geldt daarbij:
a. bij in leven zijn van de werknemer of gewezen werknemer: 1°. dat de termijnen aan hem worden uitgekeerd en de eerste termijn niet eerder wordt uitgekeerd dan nadat hij de leeftijd bereikt die vijf jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, maar uiterlijk twee maanden na de datum waarop hij de laatstgenoemde leeftijd bereikt;
2°. dat, ingeval de eerste termijn eerder aan hem wordt uitgekeerd dan nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, de periode van twintig jaar, bedoeld in de eerste volzin, wordt vermeerderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de laatstgenoemde leeftijd;
3°. dat, ingeval de omzetting, bedoeld in artikel 38n, tweede lid, zoals dat artikel luidde op 31 december 2019, meer dan twee maanden later plaatsvindt dan nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, de eerste termijn aan hem wordt uitgekeerd direct na het moment van omzetting en de periode van twintig jaar, bedoeld in de eerste volzin, wordt verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de laatstgenoemde leeftijd;
1°. dat de termijnen aan hem worden uitgekeerd en de eerste termijn niet eerder wordt uitgekeerd dan nadat hij de leeftijd bereikt die vijf jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, maar uiterlijk twee maanden na de datum waarop hij de laatstgenoemde leeftijd bereikt;
2°. dat, ingeval de eerste termijn eerder aan hem wordt uitgekeerd dan nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, de periode van twintig jaar, bedoeld in de eerste volzin, wordt vermeerderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de laatstgenoemde leeftijd;
3°. dat, ingeval de omzetting, bedoeld in artikel 38n, tweede lid, zoals dat artikel luidde op 31 december 2019, meer dan twee maanden later plaatsvindt dan nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, de eerste termijn aan hem wordt uitgekeerd direct na het moment van omzetting en de periode van twintig jaar, bedoeld in de eerste volzin, wordt verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de laatstgenoemde leeftijd;
b. bij overlijden van de werknemer of gewezen werknemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen termijnen zijn ingegaan: 1°. dat de termijnen binnen twaalf maanden na het overlijden ingaan;
2°. dat de termijnen worden uitgekeerd aan zijn erfgenamen of legatarissen voor zover dit natuurlijke personen zijn.
1°. dat de termijnen binnen twaalf maanden na het overlijden ingaan;
2°. dat de termijnen worden uitgekeerd aan zijn erfgenamen of legatarissen voor zover dit natuurlijke personen zijn.
3. Indien ingevolge het tweede lid, onderdelen a of b, termijnen zijn ingegaan en de genieter van de termijnen overlijdt, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op zijn erfgenamen of legatarissen voor zover dit natuurlijke personen zijn.
4. De artikelen 19aen 19b, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016, de <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.83" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3.83</a>en <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/7.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016, de <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/2.8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 2.8, tweede lid</a>, <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/2.9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">2.9</a>en <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.136" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3.136 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>, <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30i" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen</a>, de <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/25" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 25, vijfde lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">26, derde lid, van de Invorderingswet 1990</a>en <a href="/wet/BWBR0002226/artikel/32" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 32, derde lid, van de Successiewet 1956</a>zijn van overeenkomstige toepassing op aanspraken ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid.
5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan onder door Onze Minister te stellen voorwaarden een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid ook na de ingangsdatum van de termijnen, bedoeld in het tweede lid, geruisloos worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.125" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>of een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.126a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.126a van die we</a>t.
6. Indien artikel 19b, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2016, van overeenkomstige toepassing is of is geweest op een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid en de aanspraak in afwijking van dat artikel bij de bepaling van de verschuldigde belasting niet als loon in aanmerking is genomen, blijft dat artikel van overeenkomstige toepassing op die aanspraak.
2. Voor zover een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid niet is aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.125" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>of een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.126a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.126a van die wet</a>, wordt de waarde van deze aanspraak in een periode van twintig jaar in termijnen met een gelijke tussenperiode van ten hoogste een jaar uitgekeerd als loon uit vroegere dienstbetrekking, waarbij het in een jaar uit te keren bedrag gelijk is aan de stand van de oudedagsverplichting aan het begin van dat jaar gedeeld door het aantal op dat tijdstip nog resterende uitkeringsjaren. Voorts geldt daarbij:
a. bij in leven zijn van de werknemer of gewezen werknemer: 1°. dat de termijnen aan hem worden uitgekeerd en de eerste termijn niet eerder wordt uitgekeerd dan nadat hij de leeftijd bereikt die vijf jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, maar uiterlijk twee maanden na de datum waarop hij de laatstgenoemde leeftijd bereikt;
2°. dat, ingeval de eerste termijn eerder aan hem wordt uitgekeerd dan nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, de periode van twintig jaar, bedoeld in de eerste volzin, wordt vermeerderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de laatstgenoemde leeftijd;
3°. dat, ingeval de omzetting, bedoeld in artikel 38n, tweede lid, zoals dat artikel luidde op 31 december 2019, meer dan twee maanden later plaatsvindt dan nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, de eerste termijn aan hem wordt uitgekeerd direct na het moment van omzetting en de periode van twintig jaar, bedoeld in de eerste volzin, wordt verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de laatstgenoemde leeftijd;
1°. dat de termijnen aan hem worden uitgekeerd en de eerste termijn niet eerder wordt uitgekeerd dan nadat hij de leeftijd bereikt die vijf jaar lager is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, maar uiterlijk twee maanden na de datum waarop hij de laatstgenoemde leeftijd bereikt;
2°. dat, ingeval de eerste termijn eerder aan hem wordt uitgekeerd dan nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, de periode van twintig jaar, bedoeld in de eerste volzin, wordt vermeerderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de laatstgenoemde leeftijd;
3°. dat, ingeval de omzetting, bedoeld in artikel 38n, tweede lid, zoals dat artikel luidde op 31 december 2019, meer dan twee maanden later plaatsvindt dan nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, de eerste termijn aan hem wordt uitgekeerd direct na het moment van omzetting en de periode van twintig jaar, bedoeld in de eerste volzin, wordt verminderd met het aantal jaren tussen het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn en de laatstgenoemde leeftijd;
b. bij overlijden van de werknemer of gewezen werknemer terwijl ingevolge onderdeel a nog geen termijnen zijn ingegaan: 1°. dat de termijnen binnen twaalf maanden na het overlijden ingaan;
2°. dat de termijnen worden uitgekeerd aan zijn erfgenamen of legatarissen voor zover dit natuurlijke personen zijn.
1°. dat de termijnen binnen twaalf maanden na het overlijden ingaan;
2°. dat de termijnen worden uitgekeerd aan zijn erfgenamen of legatarissen voor zover dit natuurlijke personen zijn.
3. Indien ingevolge het tweede lid, onderdelen a of b, termijnen zijn ingegaan en de genieter van de termijnen overlijdt, gaat het recht op de nog niet uitgekeerde termijnen over op zijn erfgenamen of legatarissen voor zover dit natuurlijke personen zijn.
4. De artikelen 19aen 19b, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016, de <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.83" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 3.83</a>en <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/7.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016, de <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/2.8" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 2.8, tweede lid</a>, <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/2.9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">2.9</a>en <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.136" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">3.136 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>, <a href="/wet/BWBR0002320/artikel/30i" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen</a>, de <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/25" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 25, vijfde lid</a>, en <a href="/wet/BWBR0004770/artikel/26" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">26, derde lid, van de Invorderingswet 1990</a>en <a href="/wet/BWBR0002226/artikel/32" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 32, derde lid, van de Successiewet 1956</a>zijn van overeenkomstige toepassing op aanspraken ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid.
5. In afwijking van het eerste en tweede lid kan onder door Onze Minister te stellen voorwaarden een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid ook na de ingangsdatum van de termijnen, bedoeld in het tweede lid, geruisloos worden aangewend ter verkrijging van een lijfrente als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.125" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.125 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>of een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/3.126a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.126a van die we</a>t.
6. Indien artikel 19b, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2016, van overeenkomstige toepassing is of is geweest op een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in het eerste lid en de aanspraak in afwijking van dat artikel bij de bepaling van de verschuldigde belasting niet als loon in aanmerking is genomen, blijft dat artikel van overeenkomstige toepassing op die aanspraak.