BWBR0002452
Geldig vanaf 1965-08-01
Artikel 16
Overgangswet Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting
1. Onze Minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid kan toestaan, dat woningen, waarvan de bewoning ingevolge artikel 2 van de Woningnoodwet 1918 ( Stb.379, vervallen 6 maanden na de inwerkingtreding van het Koninklijk besluit van 12 september 1931, Stb.396) na een bepaalde termijn moest ophouden, langer worden bewoond. De toestemming wordt telkens voor een bepaalde termijn verleend, die voor verlenging vatbaar is. Na de dag, waarop de bewoning ingevolge de beschikking van voornoemde Minister moet ophouden, moet het gemeentebestuur de woning onverwijld doen ontruimen en afbreken, tenzij voor zoveel het afbreken betreft, met goedkeuring van die Minister aan de woning een andere bestemming wordt gegeven.
2. De bepalingen, die ingevolge de Woningnoodwet 1918 ( Stb.379) golden ten aanzien van woningen als bedoeld in het eerste lid, blijven van kracht, behoudens wijziging, aanvulling of intrekking door Ons.
2. De bepalingen, die ingevolge de Woningnoodwet 1918 ( Stb.379) golden ten aanzien van woningen als bedoeld in het eerste lid, blijven van kracht, behoudens wijziging, aanvulling of intrekking door Ons.