BWBR0002452
Geldig vanaf 1965-08-01
Artikel 10
Overgangswet Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting
1. Bijzondere voorschriften ter bepaling van voor- of achtergevelrooilijnen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, bouwverboden, als bedoeld in artikel 35, plannen van uitbreiding, als bedoeld in paragraaf 7, met daarbij behorende bebouwingsvoorschriften en voorschriften, als bedoeld in artikel 43 der Woningwet 1901, worden geacht bestemmingsplannen in de zin van de Wet op de Ruimtelijke Ordeningte zijn. Zij behouden het rechtsgevolg, dat zij bij de inwerkingtreding van deze wet hadden.
2. Op de in het vorige lid aangegeven, ingevolge de Woningwet 1901 tot stand gekomen, planologische maatregelen is artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordeninggedurende 5 jaren na het in werking treden van deze wet niet van toepassing. Gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen, van toepassing op in dit lid bedoelde planologische maatregelen, blijven ten hoogste tot dit tijdstip van kracht.
3. De gemeenteraden brengen de in het eerste lid bedoelde maatregelen binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet met de Wet op de Ruimtelijke Ordeningin overeenstemming.
2. Op de in het vorige lid aangegeven, ingevolge de Woningwet 1901 tot stand gekomen, planologische maatregelen is artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordeninggedurende 5 jaren na het in werking treden van deze wet niet van toepassing. Gemeentelijke schadevergoedingsverordeningen, van toepassing op in dit lid bedoelde planologische maatregelen, blijven ten hoogste tot dit tijdstip van kracht.
3. De gemeenteraden brengen de in het eerste lid bedoelde maatregelen binnen vijf jaren na de inwerkingtreding van deze wet met de Wet op de Ruimtelijke Ordeningin overeenstemming.